Tuchtrechtspraak

De NOB heeft een eigen tuchtrechtspraak, waarin – als daar aanleiding voor is – de praktijkuitoefening van leden wordt getoetst aan de 'eer en waardigheid van het beroep'. De regels daarvoor zijn vastgelegd in onder andere het Reglement Beroepsuitoefening. De tuchtrechtspraak is geregeld in het Reglement Tuchtzaken.

De tuchtrechtspraak is eerste instantie in handen van de Raad van Tucht. Tegen een uitspraak van de Raad van Tucht is beroep mogelijk bij de Raad van Beroep. De voorzitters, plaatsvervangend voorzitters, griffiers en plaatsvervangend griffiers van zowel de Raad van Tucht en de Raad van Beroep zijn geen lid van de NOB. Ze voldoen allen aan de vereisten voor benoembaarheid in de Nederlandse rechterlijke macht en zijn met enige bij de wet ingestelde rechtspraak belast of belast geweest.

Klachten over gewone en aspirant-leden van de NOB kunnen worden ingediend door cliënten, andere personen (mits het hun belang betreft), NOB-leden, het NOB-bestuur en door de Directeur-generaal der Belastingen. Ook tegen oud-leden van de NOB kan een klacht worden ingediend, mits die betrekking heeft op werkzaamheden die tijdens het lidmaatschap zijn verricht. Voor alle duidelijkheid: het is alleen mogelijk een klacht in te dienen tegen een individueel NOB-lid. Klachten tegen een kantoor zijn niet mogelijk. Alle klachten moeten gericht worden aan de Raad van Tucht.

Meer informatie over de NOB-tuchtrechtspraak staat hieronder in vraag- en antwoordvorm.