Jurisprudentie Raad van Tucht

Datum Samenvatting
29-07-2019
  • Als bestuurders van Stichting D hebben klagers een eigen belang en zijn zij gerechtigd een klacht in te dienen. De beëindiging van het NOB-lidmaatschap staat niet in de weg aan inhoudelijke behandeling van de klacht.
  • Verweerder heeft naar het oordeel van de Raad van Tucht in strijd met artikel 1 RBU gehandeld, doordat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een brief van de Belastingdienst met belangrijke informatie voor zijn cliënt(en) heeft doorgestuurd. Bovendien oordeelt de Raad van Tucht dat, zo verweerder de brief al heeft verzonden, het op zijn weg had gelegen op dit punt met zijn cliënten nader te overleggen en zo nodig vervolgacties te ondernemen. Ook hiervan is niet gebleken.
  • Van onzorgvuldig, althans onbehoorlijk handelen is geen sprake door te volharden in een eerder ingenomen standpunt.
14-07-2019
  • Het vereiste belang in de zin van artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van het Reglement Tuchtzaken is gegeven als het vermeende tuchtrechtelijk laakbaar handelen of nalaten van een NOB-lid de klager raakt. Dat is hier het geval, want het gaat om beroepsactiviteiten van verweerder in relatie tot klaagsters, waarbij de vraag is of aan klaagsters gefactureerde activiteiten onder de gegeven opdracht vallen.
  • Ook indien cliënten gerechtvaardigd vertrouwen zouden hebben gewekt bij hun adviseur dat zijn handelen correct was en plaatsvond binnen de door partijen afgesproken werkwijze, betekent dat nog niet dat die cliënten daarmee het recht verspelen om over dat handelen te klagen bij de Raad van Tucht.
  • Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn werkzaamheden voor de voormalige bestuurder van klaagsters en de facturatie daarvan binnen de door klaagsters aan hem verstrekte opdracht vielen. Dat verweerder in deze omstandigheden werkzaamheden heeft verricht voor persoonlijke aangelegenheden van de voormalige bestuurder van klaagsters en die werkzaamheden bij A B.V. in rekening heeft gebracht, is in strijd met de eer en waardigheid van het beroep van belastingadviseur zoals opgenomen in artikel 1 van het RBU.
  • Feitelijk voert verweerder op het tweede klachtonderdeel (dienstverlening in overeenstemming met eer en waardigheid beroep) geen ander verweer dan op het eerste klachtonderdeel. Ook nadat hij tijdens de zitting in de gelegenheid is gesteld, heeft verweerder op dit punt geen nader, zelfstandig verweer gevoerd. Daarmee is onontkoombaar dat het handelen ook in strijd is met artikel 7 van het RBU.
20-12-2018
  • Raad van Tucht komt aan inhoudelijke behandeling klacht toe ondanks stelling van verweerder dat klaagster afstand heeft gedaan van haar recht om een klacht bij de Raad van Tucht in te dienen, dat zij te lang heeft gewacht met het indienen van de klacht, dat ze geen eigen belang heeft bij de klacht en dat zij de klacht louter gebruikt ter voorbereiding van een civielrechtelijk geding en dat het tuchtrecht daarvoor niet bedoeld is.
  • Omdat niet naar voren is gekomen dat de rol van verweerder bij de truststructuur van de ex-man van klaagster groot was en ook niet dat hij in een vroegtijdig stadium bij de truststructuur betrokken was, ziet de Raad van Tucht geen aanknopingspunten om te oordelen dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van klaagster. Wat verweerder verder ook had moeten doen in de richting van zijn cliënt (de ex-man van klaagster), de Raad van Tucht ziet geen feiten en omstandigheden die aanleiding hadden moeten zijn om zijn geheimhoudingsplicht in de richting van hem te schenden door klaagster (nader) te informeren.
  • In zijn algemeenheid is het niet in strijd met de eer en waardigheid van het beroep van belastingadviseur om in een overeenkomst tussen een cliënt en diens wederpartij een bepaling op te nemen om te proberen de wederpartij afstand te laten doen van rechten tegen de belastingadviseur.
31-10-2018
  • De onderhavige klacht is de derde klacht tegen verweerder die klaagster bij de Raad van Tucht aanhangig heeft gemaakt. Klaagster verwijt verweerder dat de uitspraak van de Raad van Tucht in de tweede klachtprocedure wordt achtergehouden voor het hof in de civielrechtelijke procedure.
  • Klaagster heeft na de mondelinge behandeling voor het hof in de civiele procedure nog een stuk ingediend waarin zij melding heeft gemaakt van het feit dat zij een nieuwe klacht heeft ingediend bij de Raad van Tucht. Het had op de weg van klaagster gelegen om het hof in dat stuk te verzoeken om haar toe te staan de te verwachten uitspraak van de Raad van Tucht in een later stadium in te brengen of de zaak aan te houden hangende de tuchtprocedure. Dat heeft klaagster niet gedaan.
  • Het levert in casu geen strijd met de eer en waardigheid van het beroep van de belastingadviseur op dat de advocaat van B B.V. nadien geen toestemming heeft verleend voor indiening van deze uitspraak in de civielrechtelijke procedure.
20-03-2018
  • Klacht ingediend meer dan tien jaren na het jaar waarin het gewraakte handelen van verweerder heeft plaatsgevonden, blijft o.g.v. art. 11, lid 3, van het Reglement Tuchtzaken  buiten behandeling (absolute niet-tijdigheid).
  • In zijn algemeenheid wordt voor het indienen van een klacht een termijn van drie jaar na het gewraakte handelen of nalaten als redelijk gezien. Klacht ingediend negen respectievelijk acht jaren na het gewraakte handelen van verweerder is o.g.v. art. 21, lid  2, van het Reglement Tuchtzaken ongegrond. De Raad van Tucht is niet gebleken van omstandigheden waaruit blijkt dat klager pas na verloop van tijd aanleiding had te veronderstellen dat het handelen van verweerder klachtwaardig zou zijn (relatieve niet-tijdigheid).
  • De Raad van Tucht is niet gebleken dat stukken over werkzaamheden die verweerder voor klager heeft verricht niet zouden zijn verstrekt. Verweerder mag, i.v.m. de geheimhoudingsplicht zoals die is neergelegd in art. 4 van het Reglement Beroepsuitoefening, geen informatie verstrekken over werkzaamheden die hij voor de broer van klager heeft verricht. Verweerder is niet gehouden informatie te verstrekken over werkzaamheden die niet door hemzelf of onder zijn verantwoordelijkheid zijn verricht.
14-02-2018
  • Formele klantrelatie ontbreekt: Raad van Tucht toetst alleen aan artikel 1 van het RBU (vgl. de uitspraak van de Raad van Tucht van 16 november 2015, nr. T 344 en de uitspraak van de Raad van Tucht van 9 maart 2016, nr. T 347).
  • Verweerder mocht erop vertrouwen dat de echtgenoot van Klager haar van de gang van zaken met betrekking tot (de problemen met) de Belastingdienst op de hoogte zou houden
  • Hoewel verweerder Klager op de hoogte had moeten stellen van de nota griffierecht en de uitspraak van de Rechtbank, heeft dit nalaten van Verweerder niet geleid tot het verloren gaan van beroepsmogelijkheden aangezien op het moment dat Verweerder bij de zaak werd betrokken de bezwaartermijnen voor de aanslagen al waren verlopen. Van handelen dat zozeer in strijd is met de eer en waardigheid van het beroep van belastingadviseur dat de beroepsgroep in diskrediet is gebracht, is geen sprake (vgl. de uitspraak van de Raad van Beroep van 2 januari 2017, nr. B 95).
     
08-12-2017
  • Uit de uitspraak van de Raad van Beroep van 12 september 2012 (B12/83) volgt dat het in strijd met de eer en waardigheid van het beroep als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Beroepsuitoefening zou zijn als Verweerder bij de vaststelling van de beloning die het Belastingadvieskantoor aan Klaagster in rekening brengt de vordering van het Belastingadvieskantoor op een andere BV verdisconteert, terwijl naar de Belastingdienst is gesteld dat het Belastingadvieskantoor, met het oog op toekomstig werk, die vordering volledig zou prijsgeven.
  • De uitspraak van de Raad van Beroep had voor Verweerder aanleiding moeten zijn om een nieuwe afweging te maken in hoeverre een redelijk verband bestaat tussen enerzijds de bestede uren en de aard, de omvang en het belang van de (specifiek) voor Klaagster verrichte werkzaamheden en anderzijds het bedrag dat aan Klaagster in rekening is gebracht. Die redelijkheid kan niet worden afgemeten aan de hoogte van de door het Belastingadvieskantoor prijsgegeven vordering op een andere BV.
  • Niet is gebleken dat Verweerder zich hiervan na de uitspraak van de Raad van Beroep rekenschap heeft gegeven. Sterker nog, uit zijn brief van 11 maart 2013 blijkt dat Verweerder altijd van plan is geweest om de vordering op die andere BV in rekening te brengen bij Klaagster en dat het Belastingadvieskantoor en Verweerder nooit van plan zijn geweest om de vorderingen op de andere BV prijs te geven.
  • Dit is tuchtrechtelijk laakbaar en in strijd met de eer en waardigheid van het beroep als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Beroepsuitoefening. Daaraan doet niet af dat Klaagster mogelijk vanaf het begin op de hoogte was van de plannen van Verweerder.
  • In feite blijft Verweerder, ondanks de uitspraak van de Raad van Beroep, doorgaan op de door hem eerder ingeslagen weg. De Raad van Tucht vindt dit dermate ernstig dat thans een zwaardere maatregel op haar plaats is.
29-11-2017
  • De klacht is in behandeling genomen, omdat niet meer dan tien jaren zijn verstreken na afloop van het jaar waarin (een deel van) het gewraakte handelen en nalaten heeft plaatsgevonden.
  • De Raad van Tucht beoordeelt de klacht toch niet inhoudelijk, omdat de klacht niet is ingediend binnen een redelijke termijn na het gewraakte handelen of nalaten. De door Klager aangevoerde redenen waarom het niet mogelijk was eerder een klacht in te dienen zijn, ook in samenhang bezien, onvoldoende om een zo lange tijdsduur - van bijna negen jaar nadat Klager bekend werd met het gewraakte handelen en nalaten - voor het indienen van een klacht te rechtvaardigen.

20-07-2017
  • Voor zover de klacht is gericht tegen (de hoogte van) de door Verweerder gestuurde declaraties en de daaraan ten grondslag liggende werkzaamheden, toetst de Raad van Tucht slechts marginaal
  • Het niet mededelen van een cessie en het gedurende geruime tijd versturen van correspondentie naar een verkeerd (oud) adres is slordig, maar niet klachtwaardig.
19-06-2017
  • Overschrijding van de relatieve verjaringstermijn gerechtvaardigd gelet op de omvang en complexiteit van het dossier.
  • Het is niet aan de Raad van Tucht om invulling te geven aan het materiële belastingrecht. Klachten over schending van wet- en regelgeving kunnen pas in aanmerking worden genomen als zulks is komen vast te staan.
  • Het middellijk in rekening brengen van extravagante bedragen aan stichtingen waarvan Verweerder bestuursvoorzitter is, is in strijd met de eer en waardigheid van het beroep en met de onafhankelijkheid die van een NOB-lid mag worden verwacht. Dergelijk handelen rechtvaardigt in beginsel de maatregel van ontzetting uit het lidmaatschap van de NOB. Gelet echter op de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval acht de Raad van Tucht de maatregel van schorsing als lid van de NOB voor de maximale duur van zes maanden op zijn plaats.
  • De tenuitvoerlegging van de opgelegde maatregel is thans niet opportuun nu Verweerder geen lid meer is van de NOB. De opgelegde maatregel zal ten uitvoer worden gelegd op het moment dat Verweerder wederom lid wordt van de NOB.
  • Vorige