Jurisprudentie Raad van Tucht

Datum Samenvatting
07-05-2021
  • Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door verweerder bij het beëindigen van de klantrelatie is geen sprake.
  • - Nu niet aannemelijk is geworden dat verweerder betrokken is geweest bij de uitnodiging voor een gesprek, kan zowel de wijze van uitnodigen als het bij het uitnodigen passeren van een van de klagers verweerder tuchtrechtelijk niet worden aangerekend.
  • - Een open en zorgvuldige bespreking over de opzegging van de klantrelatie heeft niet plaatsgevonden. Dit valt verweerder echter niet te verwijten, nu de gespreksleiding en de opzegging van de relatie plaatsvond door de verantwoordelijk vennoot, die tevens contactpersoon van klagers was, en niet is komen vast te staan dat verweerder op de hoogte was van wat zich in de aanloop van het gesprek heeft afgespeeld tussen deze vennoot en klagers.
  • - Niet aannemelijk is geworden dat verweerder de beslissing van zijn werkgever om de klantrelatie te beëindigen klakkeloos heeft gevolgd.
04-02-2021

 

  • De klacht is binnen een redelijke termijn na het gewraakte handelen en nalaten ingediend. Klaagster heeft haar klacht niet binnen drie jaar na het gewraakte handelen ingediend, maar dan tenminste een kleine twee jaar na het verkrijgen van de informatie, waarop haar klacht is gebaseerd. Gelet op aard en inhoud van de klacht, is verweerder in voldoende mate in de gelegenheid geweest om op basis van argumenten en zonder eigen bewijsmiddelen de klacht van klaagster van een reactie te voorzien. Naar het oordeel van de Raad van Tucht zijn de verdedigingsbelangen van verweerder daarom niet zo belemmerd door de indiening van de klacht na zijn vertrek bij belastingadvieskantoor D dat daarom de Raad van Tucht de klacht niet inhoudelijk zou moeten beoordelen.
  • De Raad van Tucht is van oordeel dat klaagster bij geen van de klachtonderdelen moet worden gevolgd dat verweerder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld:
  • -   Bij de klacht over accountancywerkzaamheden geldt dat je als belastingadviseur in beginsel mag vertrouwen op je collega, de accountant. Dit wordt anders indien je iets vreemds of afwijkends opmerkt. In dat geval mag van een belastingadviseur worden verwacht dat hij dit bespreekt met of een vraag stelt aan de accountant.
  • -   De tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van een NOB-lid voor (ondergeschikte) medewerkers strekt zich niet uit tot medewerkers die zelf NOB-lid zijn en onder het tuchtrecht vallen.
  • -   Een belastingadviseur moet toestaan dat stukken in beslag worden genomen indien de FIOD daarvoor een bevel heeft verkregen. Als een belastingadviseur wordt gedwongen tot het overleggen van stukken of het afleggen van verklaringen moet hij dat doen onder protest en dit protest moet worden opgenomen in het proces-verbaal dat de FIOD-ambtenaar opstelt.
12-01-2021
  • Een behoorlijke taakvervulling van een NOB-lid brengt mee dat hij de door een cliënt aan hem overhandigde stukken op diens verzoek retourneert, ook in het geval geen sprake is van beëindiging van de opdracht. Op het moment van de zitting waren de stukken die klager aan verweerder heeft overhandigd, ondanks een verzoek en een aanmaning daartoe, nog niet geretourneerd. Dit is in strijd met de eer en waardigheid van het beroep.
  • De Raad van Tucht neemt de eerst bij conclusie van repliek ingenomen stellingen die niet voortbouwen op de eerder ingediende klacht niet in behandeling wegens strijd met de regels van een goede tuchtrechtelijke procedure. Het belang van verweerder om zich adequaat te kunnen verdedigen tegen een klacht dient zwaarder te wegen dan het belang van klager om deze klachten pas bij conclusie van repliek aan de orde te stellen, te meer omdat geen verklaring is gegeven voor het feit dat deze klachten niet in het klaagschrift aan de orde zijn gesteld.
11-01-2021
  • De klacht is ingediend in april 2020. Voor zover het gewraakte handelen of nalaten heeft plaatsgevonden vóór het jaar 2010 is de klacht te laat ingediend en in zoverre niet-ontvankelijk (artikel 11, derde lid, Reglement Tuchtzaken).
  • Een groot deel van de klachtonderdelen die zien op handelen en nalaten dat heeft plaatsgevonden in de periode tussen 2010 en april 2017 (drie jaren vóór de indiening van de klacht), is niet binnen een redelijke termijn ingediend. De klacht is daardoor in zoverre ongegrond (artikel 21, tweede lid, Reglement Tuchtzaken).
  • Verweerder had op het punt van verlenging van de SPF in overleg moeten treden met klager dan wel deze ten minste daarover moeten informeren. Dit enkele verzuim is echter van onvoldoende gewicht om het oordeel te kunnen rechtvaardigen dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld.
07-09-2020
  • Hoewel de klacht is ingediend binnen tien jaar na afloop van het jaar waarin het gewraakte handelen of nalaten heeft plaatsgevonden, is geen van de klachtonderdelen binnen een redelijke termijn ingediend. Klacht ongegrond op grond van artikel 21, tweede lid, van het Reglement Tuchtzaken
19-03-2020
  • Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door verweerder wegens een schending van artikel 12 van het RBU is naar het oordeel van de Raad van Tucht geen sprake. Verweerder heeft bij het aanvaarden van de opdracht een statement of work aan klager gestuurd waarin klager en verweerder zijn overeengekomen dat de fiscale dienstverlening zou worden uitgevoerd op basis van uren maal tarief; het is niet aannemelijk geworden dat een vast totaalbedrag van € 5.000 voor de te verrichten werkzaamheden is afgesproken; klager is via mailwisselingen voortdurend op de hoogte gehouden van de werkzaamheden en concepten werden steeds aan klager ter goedkeuring voorgelegd. Klager had kunnen en moeten begrijpen dat (ook) aan alle werkzaamheden die zijn verricht na het versturen van de eerste factuur kosten waren verbonden.
03-12-2019
  • Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door verweerder wegens een schending van artikel 12 en/of artikel 14 van het RBU is naar het oordeel van de Raad van Tucht geen sprake. Verweerder heeft bij het aanvaarden van de opdracht een opdrachtbevestiging aan klaagster gestuurd waarin de verschillende uurtarieven zijn uitgesplitst; dat gaandeweg de opdracht de uurtarieven van medewerkers zijn gestegen is niet uitzonderlijk en door verweerder duidelijk in de specificaties bij de facturen verantwoord; uit de door verweerder maandelijks verzonden en gespecificeerde declaraties blijkt duidelijk hoeveel uren door wie voor welk tarief is gewerkt; het is niet aannemelijk dat een vast totaalbedrag voor de te verrichten werkzaamheden is afgesproken.
  • Verweerder heeft naar het oordeel van de Raad van Tucht wel in strijd met artikel 8 van het RBU gehandeld, doordat hij te kort is geschoten in een goede inventarisatie en fiscale analyse van de complexe problematiek en onvoldoende blijk heeft gegeven van de noodzakelijke deskundigheid in deze. Hieraan doet niet af dat sommige aspecten verweerder pas gaandeweg duidelijk zijn geworden.
11-11-2019
  • Bij afwezigheid van enig stuk waaruit de gestelde betrokkenheid van verweerder bij het dossier van klaagster in de periode vóór augustus 2017 blijkt, ligt het op de weg van klaagster om aanknopingspunten voor die betrokkenheid aan te dragen.
  • Geen strijd met eer en waardigheid van het beroep wat betreft de door klaagster aangevoerde punten: (i) het verhullen van fouten, (ii) slechte communicatie en afspraken niet nakomen en (iii) het bieden van irreële opties.
29-07-2019
  • Als bestuurders van Stichting D hebben klagers een eigen belang en zijn zij gerechtigd een klacht in te dienen. De beëindiging van het NOB-lidmaatschap staat niet in de weg aan inhoudelijke behandeling van de klacht.
  • Verweerder heeft naar het oordeel van de Raad van Tucht in strijd met artikel 1 RBU gehandeld, doordat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een brief van de Belastingdienst met belangrijke informatie voor zijn cliënt(en) heeft doorgestuurd. Bovendien oordeelt de Raad van Tucht dat, zo verweerder de brief al heeft verzonden, het op zijn weg had gelegen op dit punt met zijn cliënten nader te overleggen en zo nodig vervolgacties te ondernemen. Ook hiervan is niet gebleken.
  • Van onzorgvuldig, althans onbehoorlijk handelen is geen sprake door te volharden in een eerder ingenomen standpunt.
14-07-2019
  • Het vereiste belang in de zin van artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van het Reglement Tuchtzaken is gegeven als het vermeende tuchtrechtelijk laakbaar handelen of nalaten van een NOB-lid de klager raakt. Dat is hier het geval, want het gaat om beroepsactiviteiten van verweerder in relatie tot klaagsters, waarbij de vraag is of aan klaagsters gefactureerde activiteiten onder de gegeven opdracht vallen.
  • Ook indien cliënten gerechtvaardigd vertrouwen zouden hebben gewekt bij hun adviseur dat zijn handelen correct was en plaatsvond binnen de door partijen afgesproken werkwijze, betekent dat nog niet dat die cliënten daarmee het recht verspelen om over dat handelen te klagen bij de Raad van Tucht.
  • Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn werkzaamheden voor de voormalige bestuurder van klaagsters en de facturatie daarvan binnen de door klaagsters aan hem verstrekte opdracht vielen. Dat verweerder in deze omstandigheden werkzaamheden heeft verricht voor persoonlijke aangelegenheden van de voormalige bestuurder van klaagsters en die werkzaamheden bij A B.V. in rekening heeft gebracht, is in strijd met de eer en waardigheid van het beroep van belastingadviseur zoals opgenomen in artikel 1 van het RBU.
  • Feitelijk voert verweerder op het tweede klachtonderdeel (dienstverlening in overeenstemming met eer en waardigheid beroep) geen ander verweer dan op het eerste klachtonderdeel. Ook nadat hij tijdens de zitting in de gelegenheid is gesteld, heeft verweerder op dit punt geen nader, zelfstandig verweer gevoerd. Daarmee is onontkoombaar dat het handelen ook in strijd is met artikel 7 van het RBU.
  • Vorige