U bent hier

Schriftelijke opmerkingen NOB naar aanleiding van Prejudiciële vraag 17/01256

15 mei 2017

[Prejudiciële vraag 17/01256]

Vraag 1
Eerdere jurisprudentie
Uw Raad heeft op 15 april 2011, nr. 10/00990, beslist dat een conserverende aanslag - bij een tussen woon- en bronland verdeeld heffingsrecht, in casu België, en in de situatie van pensioen - steeds mag worden opgelegd, ook al is deze potentieel in strijd met internationaal recht. In hoger beroep had Hof Den Haag overwogen dat de conserverende aanslag niet mocht worden opgelegd, omdat hierdoor de heffing naar voren werd gehaald. Dit was volgens het hof in strijd met de (bilaterale) goede verdragstrouw. Uw Raad heeft echter beslist dat dit oordeel niet juist was. De conserverende aanslag mag worden opgelegd, mits maar automatisch en onvoorwaardelijk uitstel van betaling wordt verleend en geen zekerheid hoeft te worden gesteld. Het is namelijk op het moment van emigratie niet altijd vast te stellen welk land te zijner tijd het heffingsrecht zal hebben, en/of de conserverende aanslag al dan niet te hoog is. De ontvanger beoordeelt op het moment van invordering van de conserverende aanslag of en in hoeverre het woonland het heffingsrecht heeft, casu quo in strijd wordt gekomen met het internationale recht.
Uw Raad heeft in hetzelfde arrest overigens geen overweging gewijd aan de gedachte dat een conserverende aanslag niet nodig zou en om die reden disproportioneel zou kunnen zijn, omdat krachtens het verdrag bij een besmette handeling de heffing over het pensioen naar internationaal recht (toch al) aan het bronland (Nederland) is toegewezen. In het licht van het WABB-verdrag zou een overweging op dit punt naar de mening van de Orde wenselijk zijn geweest.
Uit het voorgaande leidt de Orde af dat een conserverende aanslag onder bepaalde randvoorwaarden te allen tijde kan worden opgelegd als er een tussen woonland en bronland verdeeld heffingsrecht is, ongeacht wat het bilaterale verdrag daarover bepaalt. Dit kon overigens ook al worden afgeleid uit de N-zaak, waar het verdrag met de UK de periode gedurende welke Nederland nog kan heffen over aanmerkelijkbelangwinst beperkt tot vijf jaar, maar te conserveren inkomen in de aanslag was begrepen voor een periode van tien jaar.

Geen heffingsrecht voorbehouden
Bij een aanmerkelijkbelangclaim heeft Nederland zich ten minste nog een heffingsrecht voorbehouden. In het geval van pensioenaanspraken heeft Nederland zich geen enkel heffingsrecht voorbehouden. Het land waar de arbeid wordt verricht kan heffen over de arbeidsbeloning op grond van het arbeidsartikel (in het algemeen artikel 15). Tot de arbeidsbeloning behoort ook het pensioen. Nederland stelt de pensioenaanspraak echter onvoorwaardelijk vrij van belasting op het moment van verkrijging, mits sprake is van een pensioenregeling in de zin van de Wet LB 1964. Dat betekent dat onder verdragen dan niet langer het arbeidsartikel van toepassing is, maar het pensioenartikel (in het algemeen artikel 18).
Voor het vervolg verwijst de Orde graag naar de bijlage.

Vraag 2
Onder een verdrag met een exclusieve woonstaatheffing wordt bij pensioenaanspraken teruggegrepen naar de bedragen ‘waarvoor bij de verwerving van de aanspraak een belastingvoordeel is genoten’. Bij lijfrenteaanspraken gaat het om het terugnemen van de premieaftrek. Dit was een voor de hand liggende keuze van de wetgever, waarmee werd teruggegrepen op de oude systematiek van vóór 1 januari 2001. Uw Raad had immers in het Hongarije-arrest al eens beslist dat het terugnemen van premieaftrek niet gelijk is te stellen met het belasten van een afkoopsom, en dat dit niet door de bilaterale verdragen wordt bestreken.
Er zijn vier belangrijke verschillen te onderkennen tussen het Hongarije-arrest en de onderhavige zaak.
Voor het vervolg verwijst de Orde graag naar de bijlage.

Deze schriftelijke opmerkingen zijn tot stand gebracht door:

• de Commissie Wetsvoorstellen, bestaande uit de NOB-leden drs. R.A. Van der Jagt (voorzitter), prof. mr. J.W. Bellingwout, mw. mr. P.C. van den Brink, drs. M.J.A.M. van Gijlswijk, prof. dr. E.J.W. Heithuis, prof. dr. S.J.C. Hemels, prof. dr. P. Kavelaars, prof. mr. dr. Q.W.J.C.H. Kok, drs. C. Overduin, drs. W.H. Peters, mr. M.H.C. Ruijschop, mr. E.B. van der Stok, prof. dr. J.L. van de Streek, mr. E.A. Visser, mw. mr. B.E.M. den Boer (secretaris wetsuitvoering) en mr. P.A. Anthoni (secretaris wetgeving) met medewerking van NOB-lid mw. mr. M.E. Kastelein;

• de sectie Formeel Belastingrecht, bestaande uit de NOB-leden mr. F.R. Herreveld (voorzitter), mr. D.G. Barmentlo, mr. F.G. Barnard, mw. mr. B.E.M. den Boer-Drinkenburg, mw. mr. drs. R.M. Bos – Schepers, mr. J.A.R. van Eijsden, mr. B.J.G.L. Jaeger, mw. mr. W.E. Nent, mr. M. Sanders, mr. drs. R. van Scharrenburg en mw. mr. J.M. van der Vegt.