U bent hier

Uitspraak Raad van Tucht 31 oktober 2018 (T 373)

31 oktober 2018

Uitspraak Raad van Tucht 31 oktober 2018 (T 373)


Voorzitter: mr. L.F. Gerretsen-Visser
Leden: mr. J.J. Kluft en drs. T.J. Noordermeer
Griffier: mr. drs. M.M. Breij

 

  • De onderhavige klacht is de derde klacht tegen verweerder die klaagster bij de Raad van Tucht aanhangig heeft gemaakt. Klaagster verwijt verweerder dat de uitspraak van de Raad van Tucht in de tweede klachtprocedure wordt achtergehouden voor het hof in de civielrechtelijke procedure.
  • Klaagster heeft na de mondelinge behandeling voor het hof in de civiele procedure nog een stuk ingediend waarin zij melding heeft gemaakt van het feit dat zij een nieuwe klacht heeft ingediend bij de Raad van Tucht. Het had op de weg van klaagster gelegen om het hof in dat stuk te verzoeken om haar toe te staan de te verwachten uitspraak van de Raad van Tucht in een later stadium in te brengen of de zaak aan te houden hangende de tuchtprocedure. Dat heeft klaagster niet gedaan.
  • Het levert in casu geen strijd met de eer en waardigheid van het beroep van de belastingadviseur op dat de advocaat van B B.V. nadien geen toestemming heeft verleend voor indiening van deze uitspraak in de civielrechtelijke procedure.

Gewezen op de klacht van X B.V., gevestigd te Y, hierna te noemen klaagster,

tegen

de heer drs. A, lid van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en werkzaam bij B B.V., gevestigd te Z, hierna te noemen verweerder.

 

1. De loop van het geding

De klacht tegen verweerder is bij de Raad van Tucht binnengekomen op 19 januari 2018. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zitting op 28 september 2018 is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak wordt verzonden.


2. De feiten

2.1. Gelet op wat partijen schriftelijk en mondeling naar voren hebben gebracht, merkt de Raad van Tucht voor dit geding de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

2.2. Tussen klaagster en B B.V. bestaat een civielrechtelijk geschil. In geschil is - kort gezegd - of B B.V. een door klaagster gewraakte declaratie bij haar kan innen. Het geschil is in hoger beroep aanhangig bij het gerechtshof (het hof).

2.3. In deze civiele hoger beroepsprocedure heeft op [datum in] december 2016 een comparitie plaatsgevonden, waarmee in beginsel de behandeling van de zaak ten einde is gekomen. In haar memorie van antwoord van [datum in] juni 2017 heeft klaagster vermeld dat zij een (nieuwe, tweede) klacht heeft ingediend bij de Raad van Tucht. Klaagster heeft het hof niet verzocht haar toe te staan de te verwachten uitspraak van de Raad van Tucht in een later stadium in te brengen of de zaak aan te houden hangende de tuchtprocedure.

2.4. De onderhavige klacht is de derde klacht tegen verweerder die klaagster bij de Raad van Tucht aanhangig heeft gemaakt. De eerdere klachten hadden betrekking op door verweerder aan klaagster in rekening gebrachte bedragen. In de uitspraak van de Raad van Tucht van 8 december 2017 (T 362) in de tweede klachtprocedure heeft de Raad van Tucht de klacht gegrond verklaard en verweerder een schriftelijke berisping opgelegd. Tegen deze uitspraak is door verweerder beroep ingesteld bij Raad van Beroep. Ten tijde van de mondelinge behandeling van onderhavige klachtprocedure heeft de Raad van Beroep daarin nog geen uitspraak gedaan.

2.5. Na ontvangst van bovengenoemde uitspraak van de Raad van Tucht heeft de advocaat van klaagster toestemming gevraagd aan de advocaat van verweerder om die uitspraak in te mogen inbrengen in de civiele procedure, zodat het hof in het te wijzen arrest rekening zou kunnen houden met de inhoud van die uitspraak. De advocaat van verweerder heeft de gevraagde toestemming niet verleend.


3. De klacht

Klaagster verwijt verweerder in strijd te handelen met de eer en waardigheid van het beroep (artikel 1 van het Reglement Beroepsuitoefening), doordat hij welbewust informatie - de uitspraak van de Raad van Tucht van 8 december 2017 (T 362) - achterhoudt voor het hof, welke informatie van belang is voor het oordeel van het hof. Zij stelt dat verweerder hiermee opnieuw blijk geeft zich niets aan te trekken van de berisping en nog altijd door blijft gaan op de door hem ingeslagen weg.

Klaagster verzoekt verweerder te veroordelen in de door klaagster gemaakte kosten ter zake van dit geding.


4. Het verweer

Verweerder stelt dat niet kan worden gezegd dat hij naar maatschappelijk aanvaarde normen onfatsoenlijk heeft gehandeld, doordat de advocaat van B B.V. geen toestemming besloot te verlenen (bij het behartigen van de civielrechtelijke belangen van de vennootschap) om eerdergenoemde uitspraak van de Raad van Tucht in te dienen na sluiting van het debat. De mondelinge behandeling had plaatsgebonden, de laatste schriftelijke stukken waren gewisseld en de zaak stond voor arrest. Het civiele (proces)recht eiste dat niet van hem. Het tuchtrecht is er niet om in het civiele procesrecht in te grijpen. Sterker nog, het nader indienen van de uitspraak zou de procesorde hebben geschaad.


5. Beoordeling van de klacht

5.1. Strijd met eer en waardigheid van het beroep?

5.1.1. Klaagster heeft op [datum in] juni 2017, derhalve na de mondelinge behandeling voor het hof op [datum in] december 2016, in de civiele procedure nog een stuk ingediend waarin zij melding heeft gemaakt van het feit dat zij een nieuwe klacht heeft ingediend bij de Raad van Tucht. Het had op de weg van klaagster gelegen om het hof in dat stuk te verzoeken om haar toe te staan de te verwachten uitspraak van de Raad van Tucht in een later stadium in te brengen of de zaak aan te houden hangende de tuchtprocedure. Dat heeft klaagster niet gedaan.

5.1.2. Nog afgezien van de vraag of de niet-onherroepelijke uitspraak van de Raad van Tucht van belang is voor de uitspraak van het hof in de civiele procedure, levert het in casu geen strijd met de eer en waardigheid van het beroep van de belastingadviseur op dat de advocaat van B B.V. nadien geen toestemming heeft verleend voor indiening van deze uitspraak in de civielrechtelijke procedure. Niet valt in te zien dat verweerder voor deze gang van zaken enig tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.1.3. De klacht is derhalve ongegrond.


5.2. Verzoek tot kostenvergoeding

De Raad van Tucht acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.


6. Beslissing

De Raad van Tucht verklaart de klacht ongegrond.

De beslissing is genomen door mevrouw mr. L.F. Gerretsen-Visser, de heer mr. J.J. Kluft en de heer drs. T.J. Noordermeer, respectievelijk voorzitter en leden van de door de voorzitter van de Raad van Tucht voor de behandeling van deze klacht samengestelde Kamer, op 28 september 2018 in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. M.M. Breij als griffier.

De schriftelijke weergave van de beslissing   dat wil zeggen de uitspraak als bedoeld in het Reglement Tuchtzaken   is door voorzitter en griffier ondertekend op 31 oktober  2018.