De discussie met jonge fiscalisten houdt me scherp

Van de ontstaansjaren van de SOB tot een internationale fiscale praktijk die hem over de hele wereld bracht. Peter Flipsen kijkt terug op een veelzijdige loopbaan waarin onderwijs, internationale fiscaliteit en het opbouwen van duurzame relaties steeds terugkeren.

Kun je ons meenemen naar het begin van je loopbaan, welke studie heb je gevolgd en waar, waarom de keuze voor fiscaliteit en de start van je carrière als adviseur?

Ik heb fiscale economie gestudeerd aan de toenmalige Katholieke Universiteit Tilburg, waar ik in 1980 cum laude ben afgestudeerd op het onderwerp herkapitalisatie. De keuze voor fiscale economie kwam eigenlijk voort uit twijfel. Ik had mijn oorspronkelijke keuze voor een rechtenstudie op het laatste moment ingeruild voor economie, maar miste na verloop van tijd de juridische kant. Binnen fiscale economie kwamen economie en recht juist mooi samen.

Ik kwam terecht bij het Fiscaal Instituut in Tilburg, destijds een kleine opleiding met zo’n twintig studenten. We studeerden in een houten barak midden in het bos. Het was een bijzondere omgeving waar ik als student-assistent heb gewerkt en studiereizen maakte onder leiding van de professoren Geppaart en Van Dijck naar het Institut für Steuerrecht in Keulen.

Na mijn afstuderen moest ik als een van de laatsten nog in militaire dienst. Via de ROAG-opleiding bij de Koninklijke Luchtmacht kwam ik terecht op de afdeling intrastructuur bij de Luchtmachtstaf in Den Haag. Daar hield ik me onder meer bezig met de verdeling van de kosten van grote NAVO-projecten. Mijn diensttijd kreeg bovendien een onverwachte wending door het voetbal. Als keeper bij eersteklasser Sarto werd ik geselecteerd voor het Nederlands Luchtmachtelftal, waar ik als enige amateur samen trainde met betaald voetballers als Danny Blind en Erwin Koeman. Ik speelde zelfs een officiële interland en werd kampioen van Defensie. Achteraf heb ik me weleens afgevraagd of een carrière als beroepskeeper erin had gezeten.

Tijdens mijn diensttijd werkte ik mijn scriptie over herkapitalisatie uit tot een boek dat door Kluwer is uitgegeven. Hoewel ik al een aanbod van Philips op zak had, adviseerde mijn afstudeerbegeleider Dick Schonis mij eerst ervaring op te doen in de adviespraktijk. Via hem kwam ik terecht bij Wisselink & Co in Rotterdam. Dat kantoor is later gefuseerd met KPMG Meijburg. Niet veel later ben ik overgestapt naar de advocatuur.

Terugkijkend is de combinatie van economie en recht voor mij van grote waarde gebleken, zeker in de advocatuurlijke omgeving waarin ik het grootste deel van mijn carrière werkzaam ben geweest. Bovendien werd in deze periode de basis gelegd voor twee rode draden in mijn loopbaan: de internationale fiscale praktijk en mijn enthousiasme voor het doceren.

Wat het lesgeven voor mij zo bijzonder maakt, is de interactie met jonge professionals

Je bent al ruim twintig jaar docent binnen de Beroepsopleiding Belastingadviseurs en maakte zelfs de ontstaansperiode van de SOB mee. Wat maakt die betrokkenheid zo bijzonder?

Bij Wisselink & Co was Jan Daniëls een van mijn verantwoordelijke compagnons. Samen met prof. J.J.H. Christiaanse bracht hij in 1985 een preadvies uit aan de NOB over een beroepsopleiding voor jonge academisch geschoolde belastingadviseurs. Daarmee stond hij aan de basis van wat later uitgroeide tot de SOB, die dit jaar haar veertigjarig bestaan viert. Ik herinner me nog goed de eerste pilot: een cursus procesvoering voor jonge fiscalisten waaraan ik deelnam.

Jan was didactisch zeer sterk en had eigenlijk hoogleraar moeten worden. Omdat hij niet gepromoveerd was, kwam hij daarvoor niet in aanmerking. Van hem heb ik veel geleerd, niet alleen vakinhoudelijk, maar ook als het gaat om het opbouwen van adviezen en het overbrengen van kennis. Hij heeft ook mijn voorliefde voor doceren aangewakkerd.

Aanvankelijk gaf ik les bij wat toen nog de Federatie van Belastingadviseurs was. Later ben ik overgestapt naar de SOB, waar ik inmiddels meer dan twintig jaar betrokken ben als docent. Destijds heb ik de cursus fiscale eenheid en deelnemingsvrijstelling overgenomen; tegenwoordig verzorg ik nog steeds onderwijs over de internationale aspecten van de deelnemingsvrijstelling.

Wat het lesgeven voor mij zo bijzonder maakt, is de interactie met jonge professionals. Het begeleiden van jonge mensen heb ik altijd heel leuk gevonden en dat geldt nog steeds. Daarom begeleid ik naast mijn werkzaamheden voor de SOB ook studenten aan Tilburg University bij het schrijven van hun masterscriptie. De vragen, casussen en nieuwe inzichten die ik van studenten en jonge fiscalisten krijg, houden mij scherp. Juist de discussie met een nieuwe generatie belastingadviseurs over onderwerpen als de deelnemingsvrijstelling maakt het lesgeven na al die jaren nog steeds bijzonder inspirerend.

Veel leden kennen je als specialist op het gebied van internationale fiscaliteit, maar ook box 3 houdt je bezig. Wat vind je daar zo interessant aan?

Mijn belangstelling voor box 3 is eigenlijk ontstaan toen ik drie jaar geleden werd gevraagd om aan Tilburg University studenten te begeleiden bij het schrijven van hun masterscriptie. Zo ben ik na 44 jaar teruggekeerd naar de universiteit waar ik zelf ben afgestudeerd en waar ik een bijdrage kan leveren aan een nieuwe generatie fiscalisten. Een aantal studenten koos box 3 als onderwerp. Daardoor ben ik mij er steeds verder in gaan verdiepen.

Mijn interesse wordt vooral gevoed door de politieke discussie omtrent belastingheffing over vermogen. Ik heb in dit kader met oud-staatssecretaris Van Rij, de bedenker van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een discussie gevoerd. Daarbij werd door hem aangevoerd dat een vermogenswinstbelasting miljarden zou kosten, dat de systemen van de Belastingdienst een dergelijke belasting niet aankunnen en dat banken de benodigde gegevens niet kunnen aanleveren. Allemaal geen overtuigende argumenten als je naar het buitenland kijkt die allemaal wel een vermogenswinstbelasting hebben. Daarbij heb ik hem gewaarschuwd dat als dit wetsvoorstel zo zou worden ingevoerd, dit ongetwijfeld nieuwe procedures tot gevolg zou hebben met het risico dat het Box 3-drama voortduurt.

Daarnaast heb ik mij verbaasd over de uitlatingen van latere staatssecretarissen dat een helder onderscheid tussen liquide en illiquide activa niet mogelijk zou zijn en dat een uitzondering voor aandelen in familiebedrijven een risico op staatssteun zou vormen. Samen met een van mijn voormalige studenten en mijn oud-collega en EU-rechtspecialist Erik Pijnacker Hordijk heb ik daarom ook over dit onderwerp een artikel geschreven voor het Weekblad voor Fiscaal Recht.

Wat mij ook opvalt, is de soms scherpe tegenstelling tussen economen en fiscalisten in deze discussie. Voorstanders van een vermogensaanwasbelasting benadrukken vaak de economische voordelen ervan, terwijl fiscalisten veel vaker kijken naar rechtsbeginselen, uitvoerbaarheid, maatschappelijke aanvaardbaarheid en de internationale context. Mijn eenvoudige vraag is dan: als dit systeem zo aantrekkelijk is, waarom kent geen enkel ander land dan een vermogensaanwasbelasting?

Vanuit mijn internationale praktijk zie ik bovendien hoe het buitenland naar deze discussie kijkt. Ik neem nog steeds deel aan internationaal overleg met buitenlandse adviseurs en daar wordt met verbazing gekeken naar het idee dat niet-gerealiseerde rendementen belast zouden worden. Ook vanuit het bedrijfsleven bijv. de technologiesector hoor je zorgen over de gevolgen voor het vestigingsklimaat. Wanneer werknemers belasting moeten betalen over de waardegroei van aandelen die zij nog niet hebben verkocht, kan dat volgens hen een ongewenst effect hebben op het aantrekken van talent. Bovendien staat dit voorstel haaks op het streven van de EU om beleggen te stimuleren.

Persoonlijk ben daarom ik geen voorstander van een vermogensaanwasbelasting, zeker niet voor illiquide activa. Ik denk dat een dergelijke belasting weer nieuwe procedures oproept, gedragseffecten tot gevolg zal hebben (zoals vlucht in de BV, emigratie) en nadelige gevolgen zal hebben voor het Nederlandse vestigingsklimaat. Als budgettair compromis kan wellicht worden gedacht aan de benadering van prof. L.G.M. Stevens die pleit voor een verscherpte vermogenswinstbelasting waarbij beursgenoteerde activa tegen werkelijke waarde worden gewaardeerd, zowel in box 2 als in box 3. Wel zou daar, net als in box 2, een carry back-regeling tegenover moeten staan.

Wat ik uiteindelijk het meest interessant vind aan box 3, is dat hier alles samenkomt: fiscaliteit, economie, rechtsbeginselen zoals draagkracht en rechtsbescherming, unierecht, uitvoerbaarheid met uiteindelijk politieke keuzes. Het is een dossier waarover het laatste woord nog lang niet is gezegd en juist dat maakt het boeiend.

(De in dit artikel weergegeven opvattingen zijn de persoonlijke opvattingen van de geïnterviewde en vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de NOB. Voor het standpunt van de NOB over Box 3 verwijzen we onder andere naar de opinie- en discussiebijdrage van de NOB over dit onderwerp.)

Als je terugkijkt op je carrière, waar ben je het meest trots op?

Waar ik misschien wel het meest trots op ben, is dat ik mijn internationale praktijk altijd op eigen kracht en persoonlijke reputatie heb opgebouwd. De basis daarvoor werd al vroeg gelegd. Mijn toenmalige compagnon Jan Daniëls reisde regelmatig naar de Verenigde Staten en kwam altijd terug met nieuwe ideeën, contacten en opdrachten. Op een gegeven moment vroeg ik hem hoe hij dat voor elkaar kreeg. Zijn antwoord was simpel: als je ergens een goed contact hebt, moet je de relatie onderhouden. Ga op eigen initiatief langs en toon interesse was zijn advies. Zo krijg je bij de betrokken bedrijven inzicht in wat er speelt en de relevantie voor Nederland en ontstaan er nieuwe kansen.

Die les heb ik altijd meegenomen. Door contacten op te bouwen in de Verenigde Staten, Europa, Azië en het Midden-Oosten heb ik internationaal kunnen werken en mooie reizen kunnen maken. Via contacten heb ik ook lezingen gegeven in Beijing, Shanghai en Abu Dhabi samen met het NFIA.

Natuurlijk helpt het als je werkt voor een bekende organisatie. Ik heb zelf ervaren dat een grote naam soms deuren opent en dat er anders naar je wordt gekeken wanneer je onderdeel bent van een internationaal kantoor. Tegelijkertijd heb ik ook gemerkt dat een goede reputatie uiteindelijk belangrijker is dan het logo op het dak. Duurzame relaties, vakkennis en vertrouwen wegen minstens zo zwaar.

Ik kijk met voldoening terug op het feit dat ik door mijn vak voor vele bedrijven wereldwijd heb kunnen werken, daardoor en door het lidmaatschap van het Taxes Committee van de International Bar Association vele interessante reizen heb kunnen maken en daar waardevolle contacten en vriendschappen aan heb overgehouden. Dat zijn ervaringen die mij gedurende mijn hele loopbaan hebben verrijkt.

Wat hoop je dat de komende jaren nog op je pad komt, zakelijk of privé?

Ik ben inmiddels al zes jaar zelfstandig adviseur en eerlijk gezegd had ik die stap veel eerder moeten zetten. Het grote voordeel is dat je je eigen tijd kunt indelen en zelf kunt kiezen met welke cliënten en opdrachten je aan de slag gaat. Ik neem nog steeds deel aan internationale overlegstructuren en geef ik regelmatig second opinions. Doordat onder invloed van BEPS de fiscale positie van Nederland internationaal is veranderd, heeft mijn praktijk zich de laatste jaren meer verplaatst richting M&A transacties met grensoverschrijdende aspecten waarbij ik veelvuldig optreedt voor de verkopende directeur-grootaandeelhouder. Het opbouwen van een persoonlijke band met hen heeft zo zijn eigen charme. In die categorie verkopers kan ik mij goed verplaatsen omdat ik zelf in het verleden intensief betrokken ben geweest bij de verkoop aan een buitenlandse multinational van de ijzer- en staalhandel van mijn vader dat hij van een zolderkamer had opgebouwd. Dus ik weet hoe dit voor iemand die zijn levenswerk verkoopt voelt.

Voor de toekomst sta ik nog steeds open voor nieuwe uitdagingen. Een politieke functie lijkt mij bijvoorbeeld interessant. Ik heb altijd veel belangstelling gehad voor de wisselwerking tussen fiscaliteit, beleid en politiek, dus wie weet wat er nog op mijn pad komt.

Privé geniet ik van van mijn beide dochters. Eén van hen is bezig met de voorbereiding van haar huwelijk. Dat is iets waar ik me op verheug.


Wat wilde u vroeger worden toen u jong was? Als ik op het juiste moment andere keuzes had gemaakt was ik wellicht beroepsvoetballer (keeper) geworden.

Welke hobby’s heeft u? Ik hou van reizen, ben begonnen met golf en ga binnenkort op verzoek van een oud-teamgenoot walking football spelen.

Welk boek heeft u onlangs gelezen of ligt momenteel op uw nachtkastje? Ik heb mij recentelijk verdiept in een boek over Ikigai, de Japanse levensfilosofie voor jong oud worden. Japanners behoren tot de oudste mensen ter wereld en kennen het woord pensioen niet. Dat intrigeerde mij. Op mijn nachtkast ligt het boek ‘Regime Change’ geschreven door journalisten van de New York Times over het tweede presidentschap van Donald Trump van binnenuit.

Als u ooit een boek zou schrijven, waar zou dat over gaan? Op verzoek van mijn vrouw werk ik op dit moment aan mijn memoires ten behoeve van mijn kinderen.

Heeft u een guilty pleasure? Ik ga graag een dagje naar de sauna.

Loopbaan

  • Sinds 2020 eigenaar van MARAN TAX Consultancy BV
  • 2004-2022 Tax Partner / Of Counsel bij Simmons & Simmons
  • 1998-2004 Tax Partner bij De Brauw Blackstone Westbroek
  • 1991-1998 Tax Partner bij Buruma Maris
  • 1982-1991 werkzaam bij Wisselink & Co en KPMG Meijburg

Nevenfuncties

  • Lid Taxes Committee van de International Bar Association (IBA)
  • Docent Beroepsopleiding Belastingadviseurs
  • Lid Klankbordgroep Kleine Kantoren (NOB)
  • Verbonden aan Tilburg University als scriptiebegeleider