Uitspraak Raad van Tucht 2 oktober 2025 (T 428)
Uitspraak Raad van Tucht 2 oktober 2025 (T 428). Er is geen beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Voorzitter: mr. drs. Chr.Th.P.M. Zandhuis
Lid: mr. L.D.L. Bles-Temme
Extern lid: mr. A.M.F. Geerling
Griffier: mr. N. Veenstra
- Artikel 15 van het Reglement Tuchtzaken: vereenvoudigde behandeling van de klacht.
- De klacht ziet op (nalaten van) handelen van verweerster in een periode dat zij geen lid meer was van de NOB. De Raad van Tucht oordeelt dat de klacht ongegrond is.
Gewezen op de klacht van [A], wonende te [Z], hierna te noemen klaagster,
tegen
mr. [B], hierna te noemen verweerster.
1.1. De klacht tegen verweerster is bij de Raad van Tucht binnengekomen op 25 mei 2025. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
1.2. Op grond van artikel 15 van het Reglement Tuchtzaken heeft de voorzitter besloten tot sluiting van het onderzoek en tot vereenvoudigde behandeling.
2.1. Klaagster heeft bij e-mail van 25 mei 2025 de onder 1.1 vermelde klacht ingediend. In het klachtschrift is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Sinds vele jaren, meer dan 25 jaar, is [verweerster] mijn belastingadviseur en verzorgt zij mijn belastingaangiften, zowel voor de Pensioen BV als voor de Inkomstenbelasting.
Sinds januari van dit jaar blijkt dat mijn belastingadministratie voor de BV en de Inkomstenbelasting al sinds 2019 niet naar behoren zijn gemaakt en ingediend.
(…)
Een van mijn kinderen heeft toen contact gezocht met de Belastingdienst, zowel voor de inkomstenbelasting als voor de Vennootschapsbelasting.
Daaruit bleek dat er vanaf 2018 geen aangiftes zijn ontvangen.”
2.2.1. Bij aangetekende e-mail van 28 mei 2025 is aan klaagster bevestigd dat het klachtschrift door de Raad van Tucht is ontvangen. In de e-mail is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Uw klacht van 25 mei 2025 is gericht tegen [verweerster]. Zij was tot 1 januari 2016 lid van de NOB. Op grond van het Reglement Tuchtzaken van de NOB zijn ook oud-leden onderworpen aan het tuchtrecht. Maar artikel 2, tweede lid, van dat reglement zegt wel nadrukkelijk dat het dan alleen gaat om handelingen en gebeurtenissen die tijdens hun lidmaatschap hebben plaatsgevonden. Daaronder valt ook het nalaten van handelingen.
Als ik uw klacht goed begrijp gaat het om handelingen die zij in 2019 en daarna had moeten verrichten op het vlak van de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting, maar niet heeft uitgevoerd. Dat gaat dus om het tijdvak ná haar lidmaatschap.
Als die lezing juist is kan de Raad van Tucht geen inhoudelijk oordeel geven over uw klacht.
Ik stel u in de gelegenheid om (a) de klacht nader toe te lichten als u denkt dat het handelen of nalaten van handelen van [verweerster] wel valt binnen haar periode van lidmaatschap van de NOB of (b) de klacht in te trekken als u vaststelt dat haar handelen of nalaten van handelen buiten die periode valt. U heeft daarvoor de tijd tot en met 25 juni 2025.”
Blijkens de door de griffier aan het dossier toegevoegde informatie van de server is deze e-mail afgeleverd en op 29 mei 2025 om 7:18 uur geopend.
2.2.2. Klaagster heeft niet gereageerd op de onder 2.2.1 vermelde e-mail.
2.3. Volgens het (voormalig) ledenregister van de NOB is verweerster lid van de NOB geweest in de periode van 20 oktober 1983 tot 1 januari 2016.
3.1. Klaagster verwijt verweerster dat zij vanaf belastingjaar 2018, zonder haar medeweten, geen aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst. Klaagster is hiervan pas op de hoogte geraakt toen aan haar boetes werden opgelegd door de Belastingdienst. Klaagster heeft verweerster vervolgens de gelegenheid geboden om de aangiften alsnog binnen de gestelde termijnen in te dienen, maar zij heeft hieraan geen gevolg gegeven.
4.1. Verweerster stelt dat zij geen lid is van de NOB en dat zij daarom niet is onderworpen aan het tuchtrecht.
5.1.1. Op grond van artikel 12 van het Reglement Tuchtzaken neemt de Raad van Tucht elke klacht wegens schending van de normen door een lid of een voormalig lid van de vereniging in behandeling.
5.1.2. Hoewel verweerster op dit moment geen lid meer is, volgt uit het ledenregister dat zij tot 1 januari 2016 wel lid van de NOB is geweest (zie 2.3). De Raad van Tucht stelt vast dat verweerster een voormalig lid is en heeft daarom de klacht van klaagster in behandeling genomen.
5.2. Hoewel de Raad van Tucht de klacht in behandeling heeft genomen, komt zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.
5.3.1. Uit artikel 2, lid 1, van het Reglement Tuchtzaken volgt dat een lid gehouden is zijn werkzaamheden te verrichten volgens de door de NOB opgestelde beroepsregels. Verder volgt daaruit dat (aspirant-)leden, gewone en buitengewone leden onderworpen zijn aan tuchtrechtspraak ter zake van handelen of nalaten in strijd met de door de NOB opgestelde beroepsnormen.
5.3.2. Uit artikel 2, lid 2, van het Reglement Tuchtzaken volgt dat leden ook na het einde van hun lidmaatschap aan tuchtrechtspraak onderworpen blijven. Daarbij geldt een beperking, namelijk dat het gaat om handelingen en gebeurtenissen die tijdens het lidmaatschap hebben plaatsgevonden (vergelijk de uitspraak van de Raad van Tucht van 6 januari 2023, T410).
5.4. Klaagster voert aan dat verweerster haar aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting verzorgde, en dat zij via de Belastingdienst op de hoogte is geraakt dat verweerster vanaf het belastingjaar 2018 geen aangiften meer heeft ingediend. De Raad van Tucht is van oordeel dat deze werkzaamheden op z’n vroegst in 2019 hadden moeten worden verricht. Nu het lidmaatschap van verweerster reeds op 1 januari 2016 is beëindigd, heeft het door klaagster gewraakte (nalaten van) handelen betrekking op een periode waarin zij geen lid meer was van de NOB. De gestelde niet-nakoming door verweerster is daarom niet aan tuchtrechtspraak onderworpen.
5.5. De slotsom is dat de klacht van klaagster kennelijk ongegrond is.
De Raad van Tucht verklaart de klacht tegen verweerster ongegrond.
De beslissing is genomen door mr. drs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, mr. L.D.L. Bles-Temme en mr. A.M.F. Geerling, respectievelijk voorzitter, lid en extern lid van de door de voorzitter van de Raad van Tucht voor de behandeling van deze klacht samengestelde Kamer, in aanwezigheid van mr. N. Veenstra als griffier.
De schriftelijke weergave van de beslissing – dat wil zeggen de uitspraak als bedoeld in het Reglement Tuchtzaken – is door voorzitter en griffier ondertekend op 2 oktober 2025.