U bent hier

Vijf vragen aan Cor Overduin

14 januari 2022

De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2017 en 2018 in strijd is met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Vijf vragen aan Cor Overduin, of counsel Grant Thornton en lid van de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB, over dit arrest en de impact daarvan.

Wat is de impact van het arrest van de Hoge Raad?
De impact van dit arrest is enorm. Dat geldt voor belastingplichtigen, voor de belastingadviseur, voor het ministerie van Financiën en voor de Belastingdienst. Dit arrest maakt duidelijk dat belastingplichtigen, die sparen in box 3, recht hebben op verlaging van hun belastingaanslag door het inkomen te bepalen op basis van het werkelijk rendement in plaats van het forfaitaire rendement. Het roept veel vragen op voor de adviseur die gaat kijken welke klanten in aanmerking komen om bezwaar te maken. Het ministerie van Financiën zal de reeds beloofde wetgeving versneld moeten doorvoeren. Eerder heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën, Hans Vijlbrief, aangegeven dat vanaf 2025 naar het werkelijk rendement op vermogen zou worden gekeken. Die stap zal nu naar voren moeten worden gehaald. Ik verwacht dat het ministerie nog dit jaar met een wetsvoorstel komt. Men zal toch voor 2023 nieuwe wetgeving willen hebben en op zijn minst moeten er, met terugwerkende kracht, ook voor het inmiddels lopende belastingjaar 2022 wijzigingen worden doorgevoerd.

De belastingdienst wordt geconfronteerd met een enorm uitvoeringsprobleem. Wat betekent dit arrest, welke jaren betreft het, hoe moeten de aanslagen herrekend worden voor de belastingplichtigen die hiervoor in aanmerking komen? Welke bewijzen moeten aangeleverd worden? Hoe moet het rendement berekend worden? Het is dus een mooi en goed arrest maar ook een die heel veel vragen oproept. Het is veelzeggend dat het nog altijd stil is op het ministerie; inmiddels al bijna drie weken. Je mag verwachten dat het ministerie duidelijkheid gaat geven hoe de belastingdienst dit gaat uitvoeren. Natuurlijk zitten we ook met een kabinetsformatie en was er de kerstvakantie. Maar ik ga ervan uit dat op het ministerie en bij de belastingdienst zogezegd ‘alle verloven zijn ingetrokken’. 

Vanuit verschillende hoeken is steeds aandacht gevraagd voor de onrechtvaardige box 3-heffing en zijn, ook door de NOB, diverse aanpassingen voorgesteld. Zo heeft de Commissie Wetsvoorstellen van de NOB in juli 2020 een memo opgesteld (en in november 2020 aanvullende vragen gesteld), waarin de oproep aan het ministerie van Financiën werd gedaan om belastingplichtigen de optie te bieden om op basis van werkelijk rendement te worden belast. Dat advies neemt de Hoge Raad nu in feite over. Dit arrest is een duidelijke boodschap richting de politiek en behoort ook de deur voor een ruimhartige toepassing door de wetgever te openen.

Waarom is de box-3-heffing in strijd met de rechten van belastingplichtigen?
Doordat er niet wordt uitgegaan van een werkelijk rendement, maar van een vooraf vastgesteld percentage, waarover belasting betaald moet worden, heeft de overheid een makkelijk uitvoerbaar systeem ingevoerd. Maar daarmee is ook een systeem gecreëerd wat, naar nu blijkt, te veel is afgeweken van de werkelijkheid voor een heel grote groep belastingplichtigen. Nu 40% van belastingplichtigen nadeel ondervindt van dit systeem, dan vindt de Hoge Raad dat te veel. Als iemand € 30,- rendement heeft op zijn spaargeld en die moet daar vervolgens € 500,- belasting over betalen, dat kan eigenlijk niet. Men zou niet moeten interen op het vermogen om de box 3 belasting te betalen. Belastingplichtigen, die via aandelen of bitcoins bijvoorbeeld 40% rendement behalen, die betalen daar net zoveel box 3 belasting over als de eerder genoemde spaarder. Daarmee is de heffing op fictief rendement, zoals in 2017 is ingevoerd, in strijd met de fundamentele rechten van de mens, het discriminatieverbod en het eigendomsrecht.

De Hoge Raad heeft daar in de loop der jaren al iets over gezegd. In eerste instantie vond de Hoge Raad dat de wetgever correct handelde, maar over de periode 2013-2016 heeft de Hoge Raad in het arrest van juni 2019 al aangegeven dat de wetgever fout zat en dat er aanpassingen moe(s)ten komen. Nu is over de periode 2017-2018 door de Hoge Raad geconcludeerd dat de doorgevoerde aanpassingen niet correct en te beperkt zijn, zeker nu we weten dat een wetswijziging eigenlijk nog tot 2025 op zich laat wachten. Daarom nu deze uitspraak, waarbij de Hoge Raad zich deels begeeft op het terrein van de wetgever. maar gezien de trage houding om aanpassingen door te voeren is dat begrijpelijk.

Wat kunnen belastingplichtigen doen?
Voor de meeste belastingplichtigen zijn de belastingaanslagen over de jaren 2017-2018 al definitief vastgesteld. Zij kunnen wel een verzoek doen om ambtshalve vermindering/herziening. Afhankelijk van het antwoord op de Kamervragen waarin is gevraagd dit arrest voor iedereen toe te passen, kunnen we beoordelen of dat zin heeft. Juridisch is er een moeilijke wedstrijd te spelen. Al zijn er zeker argumenten aan te dragen waarom het in deze sfeer niet juist zou zijn om de gelijke behandeling te beperken tot degenen die zich hadden aangemeld voor deelname aan dit massaal bezwaar. En niets doen betekent per definitie dat men niet gecompenseerd wordt.

Is er coulance te verwachten van de overheid voor de belastingbetalers die geen bezwaar hebben gemaakt over 2017-2018?
Hier is een politiek krachtenveld aan het werk. Hierover zijn door verschillende partijen ook Kamervragen gesteld. Eerder is door Vijlbrief aangegeven, dat als men destijds geen bewaar heeft aangetekend tegen de eigen aanslag, men niet nu alsnog bezwaar kan maken. Aan de ene kant kan men het Ministerie van Financiën niet verwijten dat een grote groep geen bezwaar meer kan maken, juridisch gezien staan ze in hun recht. Aan de andere kant, kan de overheid zich niet zo rigide opstellen. Er is al lang gewaarschuwd voor het op deze wijze toepassen van het fictieve rendement, ook door de Hoge Raad, dat men deze uitspraak een keer moeten hebben zien aankomen. Bovendien betreft het hier een kwestie waarin fundamentele rechten van de burgers geschonden zijn. Daarbij past een ruimhartige compensatie, ook qua kring van personen behoort het ruim te worden toegepast.

De Hoge Raad heeft zelf gemeend aan deze proefpersoon gelijk compensatie te bieden, juist omdat het zulke fundamentele rechten zijn. Kun je je dan als overheid schuilen achter een juridisch verhaal? Naar de letter van de wet wel, maar naar het gedachtegoed van de wet kan de overheid dit eigenlijk niet maken. Bij andere dossiers, denk aan de toeslagenaffaire of het aardgas in Groningen, wordt door dezelfde overheid geroepen dat er ruimhartig moet worden gecompenseerd. Dat zou hier ook moeten gebeuren. Zeker voor die groep belastingplichtigen, waarbij het enkel om het spaargeld gaat.

Is het duidelijk hoe het werkelijk rendement op vermogen moet worden berekend?
Een terechte vraag. Wat zijn inkomsten? Daar waar het alleen om spaargeld gaat zou dat geen moeite moeten kosten. Daar waar het gaat om bijvoorbeeld beleggingen, bijvoorbeeld in aandelen of vastgoed, wordt het een lastiger verhaal. Als belegd vermogen in een bepaald jaar slecht rendeert, in hoeverre is het arrest dan ook van toepassing op deze groep? Het wettelijke systeem van box 3 veronderstelt dat er alleen maar wordt geheven als er een positief rendement op vermogen is. Maar de Hoge Raad heeft geen duidelijke bodem gelegd in ‘werkelijk rendement’. Als het vermogen aan het eind van een jaar hoger is dan aan het begin van een jaar. Is er dan sprake van rendement? Wat als iemand een vakantiehuis heeft, wat niet verhuurd wordt, maar waar wel kosten voor gemaakt worden? Is er dan sprake van negatief rendement? Dat zijn zaken waar nu heel veel onduidelijkheid over is.

Vanuit de Commissie Wetsvoorstellen hebben we al eerder aangeboden om hierover met het ministerie van Financiën te overleggen en onze expertise ter beschikking te stellen om tot een betere box 3 te komen. Dat aanbod staat nog steeds. Ik hoop van harte dat dit aanbod aangenomen wordt en we ook vanuit de NOB kunnen bijdragen aan verbetering voor alle betrokken partijen.