Column: Te laat is ook een keuze
Soms heb je het gevoel dat je nog alle tijd hebt om ergens iets van te vinden, totdat het moment voorbij is. De mail blijft in concept staan, dat document lees je “straks nog wel even” en voor je het weet is de deadline verstreken. Niet omdat je het ermee eens was, maar omdat je simpelweg te laat was.
Dat ongemakkelijke gevoel bekruipt me ook bij Europese fiscale wetgevingstrajecten. Want juist op de momenten dat het er echt toe doet, vóórdat een richtlijn wordt vastgesteld, raakt de Tweede Kamer de regie kwijt. Zodra het akkoord er ligt, rest vaak weinig meer dan implementeren. Dan is het geen politieke keuze meer, maar een uitvoeringsvraag. Het spel is dan al gespeeld.
Maar gelukkig zijn er slimme mensen geweest die hierover hebben nagedacht rond 2008. Zij hebben daarvoor ooit een instrument bedacht. Dat instrument kennen we als het parlementair behandelvoorbehoud, opgenomen in de goedkeuringswet bij het Verdrag van Lissabon. Een mond vol, maar in essentie een eenvoudige gedachte: de Tweede Kamer moet tijdig en effectief kunnen sturen op Europese voorstellen die nationale fiscale soevereiniteit raken. Niet achteraf, niet via een omweg, maar vooraf – bij de bron.
Ergens tussen publicatie en besluitvorming zit een cruciale schakel: het BNC‑fiche. Dat document verschijnt kort na het richtlijnvoorstel en bevat de eerste kabinetsappreciatie, feitelijk de startpositie van Nederland in Brussel. Maar wie dan nog moet beginnen met nadenken, staat al met 3‑0 achter. Juist daar hoort de Kamer haar rol te pakken, niet als commentator achteraf, maar als medespeler aan de voorkant.
En precies daar begint het te schuren. Want die rol is er wel, maar wordt niet altijd gepakt – of niet op tijd. Het recente Side‑by‑Side‑pakket laat zien hoe snel het parlement buitenspel kan raken wanneer implementatie via een bestaande richtlijnbepaling wordt ingepast, in dit geval artikel 32 van de minimumbelastingrichtlijn. Formeel klopt het allemaal. Maar materieel verschuift de afweging van politiek naar techniek. Wat ooit een zelfstandige keuze had moeten zijn, wordt ineens een uitvoeringsstap. En tegen de tijd dat de Kamer wakker wordt, ligt het speelveld al vast.
Met het ambitieuze omnibusvoorstel op het gebied van de directe belastingen dreigt die dynamiek zich in versterkte vorm te herhalen. Het hoge ambitieniveau van het omnibusvoorstel op het punt van vereenvoudiging en het versterken van het concurrentievermogen van de EU heeft ook een prijskaartje. Voor je het weet heb je vanwege allerlei budgettaire overwegingen waarin de Kamer geen rol heeft kunnen spelen een verwaterd pakket waar je in één keer “ja” tegen moet zeggen, terwijl de inhoud juist vraagt om afzonderlijke weging. Efficiënt voor het proces, maar minder comfortabel voor de parlementaire controle. Los nog van het feit dat het parlement het budgetrecht heeft.
Dit is geen denkbeeldige zorg. Fiscale regelgeving grijpt direct in op investeringsbeslissingen, rechtszekerheid en uitvoerbaarheid. Als nationale parlementen daar onvoldoende bij betrokken zijn, ontstaat een merkwaardige scheiding: de verantwoordelijkheid ligt bij het democratisch gekozen parlement, maar de echte keuzes zijn al elders gemaakt. Dat is niet alleen constitutioneel onbevredigend, maar kan ook nadelig uitpakken voor het Nederlandse investeringsklimaat en daarmee op de lange termijn voor de belastingopbrengsten.
Juist daarom is dit zo’n moment waarop “straks nog wel even” geen optie is. De publicatie van het omnibusvoorstel is geen startschot voor een vrijblijvend debat, maar een signaal dat de klok al loopt. Het BNC‑fiche volgt snel, de Brusselse onderhandelingen nog sneller.