Uitspraak Raad van Beroep 19 maart 2026 (B 121)
Uitspraak Raad van Beroep 19 maart 2026 (B 121) tegen de uitspraak van de Raad van Tucht 19 juni 2025 (T 424)
Voorzitter: mr. C.M. Ettema
Leden: mr. J.E. de Kleine-Brink en mr. drs. M.J.C. Pieterse
Griffier: mr. R. Marchal
- Artikel 1 Reglement Beroepsuitoefening NOB (Eer en waardigheid van het beroep). Wijzen op mogelijke gevolgen voorgestelde wetswijziging (Wet Excessief Lenen). Klager heeft de bewijslast dat sprake is van een onvolledig of onjuist advies. Verweerder mocht ervan uitgaan dat Klager medio 2020 op de hoogte was van de gevolgen van de eventuele inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijziging. Klager onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom het advies van Verweerder fiscaal niet optimaal was.
gewezen op het beroep van [A], wonende te [B], hierna te noemen Klager,
tegen de uitspraak van de Raad van Tucht van 19 juni 2025, nummer 24/424,
op de klacht van Klager tegen [C], lid van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en werkzaam bij [D], gevestigd te [E], hierna te noemen Verweerder.
De klacht bij de Raad van Tucht
1.1. Klager heeft op 15 november 2024 een klacht ingediend bij de Raad van Tucht tegen Verweerder. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Klager heeft gerepliceerd en Verweerder heeft gedupliceerd. De Raad van Tucht heeft de zaak behandeld ter zitting van 9 mei 2025 en heeft bij uitspraak van 19 juni 2025 de klacht ongegrond verklaard. De uitspraak is op 20 juni 2025 aan partijen verzonden. De uitspraak van de Raad van Tucht geldt als hier herhaald en ingelast en is aan deze uitspraak gehecht.
Het beroep van Klager
1.2. Op 20 augustus 2025 heeft Klager beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Raad van Tucht. Verweerder heeft op 25 september 2025 een verweerschrift ingediend. Op 21 november 2025 heeft Klager een nader stuk met bijlage ingediend.
Zitting
1.3. De Raad van Beroep heeft de zaak behandeld ter zitting van 28 november 2025. Daar zijn verschenen Klager en diens gemachtigde [F] alsmede Verweerder en diens gemachtigde [G].
2.1. In onderdeel 2 van zijn uitspraak heeft de Raad van Tucht de volgende feiten vastgesteld:
“2.2.1. Klager heeft in januari 2020 zijn onderneming verkocht. Na de verkoop en levering van de onderneming hield klager nog alle aandelen in [H] (hierna: de beheersmaatschappij). Na de verkoop beschikte de beheersmaatschappij enkel nog over een substantieel bedrag aan liquiditeiten en had zij geen ondernemingsactiviteiten meer.
2.2.2. Kort voor de verkoop van de onderneming had de beheersmaatschappij ultimo 2019 een vordering op klager van € 268.121 (hierna: de rekening-courantschuld).
2.3. Klager is in maart 2020 cliënt geworden van (het kantoor van) verweerder.
2.4. Klager heeft aan verweerder, onder meer, advies gevraagd over de aankoop van een appartement als beleggingspand.
2.5.1. Het “Wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap” is op 17 juni 2020 bij de Tweede Kamer ingediend (hierna: het wetsvoorstel). Op 30 juni 2020 heeft klager een artikel over dit wetsvoorstel per e-mail doorgestuurd aan verweerder met de volgende begeleidende tekst:
“Dan is lenen van de holding niet meer interessant. (…)”
In het artikel is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“Op 17 juni 2020 is het wetsvoorstel “Wet excessief lenen bij eigen vennootschap” ingediend bij de Tweede Kamer. De rekening-courantmaatregel werd in september 2018 bij het belastingplan aangekondigd en in maart 2019 is het conceptwetsvoorstel uitgegeven. Nu is het definitieve wetsvoorstel ingediend, waarin het lenen van de eigen bv door een aanmerkelijkbelanghouder (hierna: AB- houder) wordt beperkt. Het deel van de schuld dat meer bedraagt dan € 500.000 wordt m.i.v. 2023 in de inkomstenbelasting belast als inkomen uit aanmerkelijk belang.”
2.5.2. Verweerder heeft per e-mail als volgt gereageerd op dit artikel:
“Paar dingen:
– Eigen woning valt buiten die regeling
– is een wetsvoorstel, daarmee nog geen wet
– hij is recent al een jaar uitgesteld van 2022 naar 2023. Vraag is wat er tussentijds nog gaat gebeuren… heb wel meer voorstellen zien sneuvelen.
– dat ze vanuit Den Haag mogelijkheden voor dga’s structureel ontmoedigen is helder. Maar dit is voor mij persoonlijk nog te vroeg om meteen actief op te anticiperen. (…)”
2.6.1. Klager heeft op 25 augustus 2020 bij zijn [bank] geïnformeerd of hij de koopsom van (een) beleggingspand(en) zou kunnen financieren en heeft per e-mail drie verkoopadvertenties van appartementen (met een vraagprijs van in totaal € 668.500) naar [bank] gestuurd. Verweerder is opgenomen in de CC van deze e-mail.
2.6.2. [Bank] heeft op 25 augustus 2020 om 14:04 uur als volgt gereageerd op de onder 2.6.1 vermelde e-mail:
“(…)
E.e.a. met [collega 1] overlegd.
EUR 325.000,- kunnen we mogelijk op die 3 appartementen doen. Aflossing jaarlijks 4%. Rente nader te bepalen, richtprijs 2,5%. Panden dienen voor uitboeking verhuurd te zijn.
Bedrijfsonroerendgoed zal nu niet lukken. Dat lukt momenteel alleen in een CVOG portefeuille als het maximaal 15% deel uitmaakt van de portefeuille met goed residentieel vastgoed (zoals de 3 appartementen), tevens moet het dan ook gelijk verhuurd zijn en niet eerst deels voor eigen opslag. Afhankelijk van je latere effectenportefeuille zou het wel met een Voorschot Effectenkrediet kunnen worden geregeld, of zou je het zelf kunnen financieren om het later over te laten nemen door de bank.
Uiteraard is alles onder voorbehoud, we moeten jou en de BV eerst nog onboarden (i.a.v. de stukken van de StAK), en [collega 1] moet ook nog een berekening maken op basis van nog te ontvangen actuele cijfers.(…)”
Verweerder is opgenomen in de CC van deze e-mail.
2.6.3. Begin september 2020 heeft klager een appartement in [I] gekocht voor een bedrag van ongeveer € 275.000 inclusief kosten koper (hierna: appartement 1). De koopsom is betaald met gelden die klager van de beheersmaatschappij heeft geleend.
2.7.1. [Bank] heeft op 9 september 2020 om 9:12 uur klager per e-mail als volgt bericht:
“Beste [klager],
De zogenaamde onboarding is rond!
We kunnen vanaf nu door met de hypotheek en de beleggingen!
(…)”
Verweerder is opgenomen in de CC van deze e-mail.
2.7.2. Klager heeft op 9 september 2020 om 9:17 uur als volgt gereageerd:
“(…)
Oké.
Kunnen we dan nu snel schakelen?
Kan ook het recent (deel)aangekochte appartement meegenomen worden ?”
2.8. Op 9 september 2020 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen klager en verweerder over de aankoop van appartement 1. Besproken zijn de volgende opties voor de verkrijging van het eigendom: (i) in privé, (ii) door de beheersmaatschappij en (iii) door een nieuw op te richten vennootschap. Verweerder heeft geadviseerd om appartement 1 in privé te verwerven.
2.9. Klager heeft op 9 september 2020 om 14:44 de volgende e-mail aan de notaris – die de levering van appartement 1 heeft verzorgd – verstuurd:
“Hallo,
Ik heb in overleg met mijn accountant [Raad van Tucht, lees: verweerder] besloten het appartement anders dan voorheen aangegeven toch in privé aan te kopen.
(…)”
2.10. Klager heeft op 12 juli 2021 een tweede appartement in [I] gekocht voor een bedrag van
€ 298.826,20 inclusief kosten koper (hierna: appartement 2). De koopsom is betaald met gelden die klager van de beheersmaatschappij heeft geleend.
2.11. In de periode van eind 2019 tot en met 31 december 2023 hebben diverse mutaties van de rekening-courantverhouding plaatsgevonden in verband met (consumptieve) uitgaven van klager. In verband met de aankoop van appartementen 1 en 2 is de rekening-courantschuld van klager met een bedrag van in totaal € 573.826 toegenomen. Door deze mutaties is de rekening-courantschuld van klager van jaar tot jaar toegenomen.
2.12.1. Tot de processtukken behoren gespreksverslagen van de door (het kantoor van) verweerder gehouden besprekingen met klager over, onder meer, de opgestelde jaarstukken. In het gespreksverslag van 19 oktober 2021 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“6) Ultimo 2020 (november of december) mutaties t/m heden in kaart brengen en overzicht kosten privé woning, appartement en RC directie maken.
– Lening appartement ultimo 2020 € 275K
– Lening eigen woning ultimo 2020 € 240.439
– Lening B&B ultimo 2020 € 327.918|
– RC directie ultimo 2020 € 528.388
Behoefte van [klager] overzicht stand van zaken per heden (oktober; mutaties oktober nog te ontvangen), maar ook positie over 5 of 10 jaar. Wat is verstandig? In 2021 nog een appartement in [I] aangekocht, dit moet nog verhuurd worden. [Klager] denkt na over aankoop appartement in [J], deels voor eigen gebruik en deels voor verhuur. Wat te doen met saldi leningen, rekening-courant, maar ook beleggingen en bank. [Verweerder] heeft een afspraak ingepland met [klager] op 22-11- 2021 om 11.00 uur bij [klager] thuis om de financiële positie / financiële planning door te nemen. Voor toekomst zal privé opname ca € 5K per maand zijn, jaar 2020 en 2021 zijn uitzonderlijke jaren.
7) Dividenduitkering einde jaar bekijken.
Zie bovenstaand, wordt opgepakt op 22-11-2021.”
2.12.2. In het gespreksverslag van 22 maart 2022 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“5) Per 12-7-2021 is er een appartement gekocht aan [K] in [I] voor € [3 ton]. Hiervoor dient nog een leningovereenkomst te worden opgesteld. Rente, aflossing en zekerheden?
[D] zal deze overeenkomst opstellen, maar eerst afstemmen met [de gemachtigde van klager].
6) Opnamen tbv verbouwing in 2021 € 925.343, dit is vooralsnog toegerekend aan de eigen woning cfm bijgewerkt bestand door [verweerder]. Mutaties doornemen met [klager]. Overboekingen eveneens toegerekend aan woning, aangezien alle kosten 100% EW zijn.
Besproken en akkoord. In december 2020 was de verbouwing van de B&B klaar en zijn ze er zelf gaan wonen, het is dus juist dat alles is toegerekend aan de eigen woning. Een deel van de tuin kan wellicht nog toegerekend worden aan de B&B, dit moet achteraf bezien worden als de gehele verbouwing klaar is.
(…)
10) RC directie per 31-12-2021 € 597.451. Mutaties doornemen met klant. Dividenduitkering?
Mutaties doorgenomen. Opnamen geldautomaat iom [klager] corrigeren naar lening eigen woning. Dividenduitkering vooralsnog niet.
11) Kredietfaciliteit RC directie is volgens overeenkomst maximaal € 450K. Volgens wet- en regelgeving is dit in 2023 max € 700K. In overeenkomst wordt geen rente vermeld, 4% berekend cfm JR 2019+2020. Overeenkomst aanvullen.
[D] zal de aanvulling op de overeenkomst afstemmen met [de gemachtigde van klager]. Als maximum € 700K opnemen en rente-% verlagen naar Euribor + 1,5% miv 1-1-2021.
Na overleg met [verweerder] geldt voor het maximum van € 700K per 2023 (als dit definitief wordt) de RC met directie, maar ook lening ivm appartementen en B&B.”
2.12.3. In het gespreksverslag van 16 mei 2023 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“5) Volwaardigheid leningen eigen woning en B&B? Totale waarde volgens voorlopige cijfers € 2.873.032. Volgens info [L] staat huis te koop voor € 3,5 miljoen. Bod van € 3,8 miljoen gehad. Klopt dat? Waarde woning bespreken met [klager]. Er is geen taxatie. Bij JR 2021 door [klager] aangegeven tussen € 2,5 en € 3 miljoen.
De woning staat in de stille verkoop en [klager] heeft aangegeven minimaal € 3,8 miljoen te willen ontvangen, volgens makelaar zal dat bedrag bij taxatie niet gehaald gaan worden. Bij JR 2023 nogmaals bezien, er wordt nu geen JR uitgebracht.
(…)
9) Vorderingen op privé in [M] per 31-12-2022 obv voorlopige cijfers:
– RC directie € 418.792
– Lening appartement 1 € 275.000
– Lening appartement 2 € [3 ton]
– B&B € [6 ton]
Op basis van deze cijfers dividenduitkering RC directie ivm excessief lenen. Wat zijn de mutaties naar privé geweest in 2023? Deel terugbetaling agio via notaris?
Overzicht dient bijgewerkt te worden met mutaties t/m heden. Dividenduitkering is 26,9%. [N] zal navragen aan [O]/[verweerder] of er ook div belasting betaald moet worden bij terugbetaling agio via notaris. [N] zal een reminder zetten voor oktober 2023 dividenduitkering.”
2.12.4. Naar aanleiding van een bespreking op 2 oktober 2023 stuurt een collega van verweerder op 3 oktober 2023 de volgende e-mail naar klager:
“(…) Zoals gisteren besproken, zie bijlages en hieronder, we moeten dus op korte termijn actie ondernemen inzake de RC positie zoals ook al eerder aangegeven.
1) De lening eigen woning (vanuit [M]) per 31-12-2022 bedraagt € 1.941.965, cfm eerdere mailtjes (zie bijlage “FW: Mutaties lening eigen woning en B&B”). De aflossing over 2022 moet nog worden verwerkt als aflossingsschema is opgesteld. In 2023 (januari t/m heden) wordt er € 115K overgeboekt naar privé. Op basis van de privébankafschriften heb ik geprobeerd de uitgaven te herleiden. Het is voor het bepalen van de aflossing lening eigen woning (over 2022 en 2023) en excessief lenen per 31- 12-2023 van belang dat we de saldi van lening eigen woning en RC directie helder hebben. Er is een Excel-bestand bijgehouden van de totale onkosten van de eigen woning, maar dat loopt maar t/m 31-12-2022. In 2023 zie ik uitkering schadeverzekering € 75K. Ik kom op een kostenpost minus uitkeringen van de eigen woning van € 9.333, zie bijlage “saldo lening eigen woning 2023”. Het saldo lening eigen woning (exclusief aflossing 2022+2023) per 20-9-2023 is dan € 1.951.298. In 2023 heeft dan € 105.368 betrekking op consumptieve opnamen, die heb ik proberen te specificeren in het bestand “saldo lening eigen woning 2023”.
– De mutaties eigen woning januari t/m september 2023 moeten we nog afstemmen met [klager]
2) Rekening houdend met de saldi hierboven genoemd zijn de vorderingen op privé per 20-9-2023 (exclusief aflossing lening eigen woning 2022+2023): € 2.125.449, dit mag maximaal € 700K zijn ultimo 2023:
a. RC directie [beheersmaatschappij]: € 5.457 -/-
b. RC directie [M]: € 953.205
c. Lening B&B [M]: € 603.875
d. Leningen appartementen [M]: € 573.826
– Hier moeten we op korte termijn actie voor ondernemen! (…)”
2.13. Verweerder heeft bij het verweerschrift berekeningen (hierna: het rekensheet) overgelegd met betrekking tot de fiscale verschillen tussen box 2 (aankoop zakelijk) en box 3 (aankoop privé). De nettorendementen van de aankoop van een pand volgens het rekensheet zijn als volgt:
Investeren in privé € 172.157
Investeren via de beheersmaatschappij € 108.669
– Kosten van een nieuwe vennootschap (€ 8.500)
Een kopie van het rekensheet is in september 2020 niet aan klager verstrekt.
2.14. Op 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (hierna: Wet excessief lenen) in werking getreden. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel op 20 december 2022 aangenomen. Als gevolg van inwerkingtreding van deze wet is voor het jaar 2023 belasting verschuldigd indien sprake is van een schuld van meer dan € 700.000 op de peildatum 31 december 2023.”
2.2. Aangezien de door de Raad van Tucht vastgestelde feiten in beroep niet zijn betwist, zal de Raad van Beroep van die feiten uitgaan.
3.1. Klager verwijt Verweerder dat zijn handelen of nalaten in strijd is met artikel 1 (de eer en waardigheid van het beroep) van het Reglement Beroepsuitoefening NOB (RBU). Klager meent dat Verweerder een beroepsfout heeft gemaakt door te adviseren de beleggingspanden in privé aan te kopen en daarvoor te lenen bij de beheersmaatschappij en daarbij onvoldoende rekening te houden met het wetsvoorstel “Excessief lenen”.
3.2. De Raad van Tucht heeft geoordeeld dat een NOB-lid de zorgplicht heeft voor de juistheid en volledigheid van een advies. Daarvoor moet hij beschikken over de relevante feiten en afwegen welke informatie een cliënt nodig heeft om een verantwoorde afweging te maken. De zorgplicht wordt begrensd door een eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. De beoordeling welke alternatieven redelijk zijn, kan door de tuchtrechter alleen terughoudend worden getoetst.
De Raad van Tucht betrekt in zijn oordeel over het advies over de aankoop van het eerste appartement een door Verweerder opgestelde rekensheet, waaruit blijkt dat aankoop in privé tot het hoogste rendement zou leiden. Volgens de Raad van Tucht blijkt uit de rekensheet dat Verweerder rekening heeft gehouden met het wetsvoorstel. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een foutief advies. Verweerder hoefde in september 2020 nog niet te adviseren geen opnames meer te doen voor consumptieve uitgaven, omdat er toen nog slechts sprake was van een wetsvoorstel. Bovendien mocht Verweerder ervan uitgaan dat een deel extern gefinancierd zou worden bij [bank]. Verder was Klager al op de hoogte van het wetsvoorstel en de mogelijke gevolgen. Ten aanzien van de aankoop van het tweede appartement is niet komen vast te staan dat Klager advies heeft gevraagd aan Verweerder.
3.3. De Raad van Tucht heeft de klacht ongegrond verklaard.
Klager heeft beroep ingesteld en voert in zijn beroepschrift samengevat aan:
– Verweerder heeft een onvolledig advies gegeven door de gevolgen van de aankomende Wet excessief lenen niet in zijn advies te verdisconteren;
– In de spreadsheet is geen rekening gehouden met de gevolgen van de aankomende Wet excessief lenen. De Raad van Tucht is ten onrechte uitgegaan van de juistheid van de spreadsheet;
– Verweerder was op de hoogte van de noodzaak om maandelijks te lenen van de Beheermaatschappij. Verweerder had daar in zijn advies rekening mee moeten houden;
– De Raad van Tucht gaat er ten onrechte aan voorbij dat het wetsvoorstel al in 2018 is aangekondigd en dat anticipatie op het wetsvoorstel uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever was;
– De Raad van Tucht heeft ten onrechte geoordeeld dat Verweerder ervan uit mocht gaan dat een deel van het benodigde geld extern gefinancierd zou worden;
– Ten onrechte heeft de Raad van Tucht in zijn beoordeling betrokken dat Klager al op de hoogte was van het wetsvoorstel en de mogelijke gevolgen. Verweerder heeft de zorgen van Klager namelijk juist ten onrechte genuanceerd.
5.1. De Raad van Beroep stelt voorop dat Raad van Tucht terecht heeft geoordeeld dat Klager de bewijslast heeft dat sprake is van een onvolledig of onjuist advies door Verweerder.
5.2. Gelet op de mailwisseling tussen Klager en Verweerder over (destijds) het wetsvoorstel Excessief Lenen is de Raad van Beroep van oordeel dat Verweerder ervan uit mocht gaan dat Klager medio 2020 op de hoogte was van de gevolgen van de eventuele inwerkingtreding van deze voorgestelde wetswijziging. Verweerder kan op basis van de gedingstukken niet het tuchtrechtelijke verwijt worden gemaakt dat hij niet voldoende heeft gewezen op deze gevolgen. Ten tijde van de aankoop van appartement 1 heeft Klager in zoverre niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onvolledig advies. De Raad van Beroep heeft bij dit oordeel mede betrokken dat ten tijde van de aankoop van appartement 1 nog slechts sprake was van een wetsvoorstel, dat – uiteindelijk – overigens pas per 1 januari 2023 in werking is getreden en waarbij in 2023 een drempel gold van € 700.000. Klager heeft verweerder – gelet op de tot de gedingstukken behorende gespreksverslagen – overigens ook na de aankoop herhaaldelijk gewezen op de stand van de rekening-courant en de fiscale gevolgen daarvan. Gelet op het voorgaande is niet van belang dat het wetsvoorstel al in 2018 is aangekondigd.
5.3. De Raad van Beroep is van oordeel dat Klager onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom het advies van Verweerder om appartement 1 in privé aan te kopen en daarvoor geld te lenen bij de BV fiscaal niet optimaal was bij daadwerkelijke invoering van de Wet Excessief Lenen. Met hetgeen Klager heeft aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat voornoemd advies niet óók de meest voordelige optie was bij invoering van de Wet Excessief Lenen. Verweerder mocht naar het oordeel van de Raad van Beroep bij zijn advies ervan uitgaan dat de rekening-courantschuld conform het opgestelde vermogensplan niet verder zou oplopen, omdat Klager zijn behoefte aan maandelijkse onttrekkingen van liquiditeiten aan de vennootschap zou vervullen door middel van dividenduitkeringen in plaats van opnames in rekening-courant.
5.4. Klager heeft gesteld, maar niet cijfermatig onderbouwd dat de noodzaak tot het uitkeren van dividend in plaats van lenen bij de BV het gegeven advies financieel ongunstiger maakt. De door Verweerder geadviseerde lening voor appartement 1 bedraagt € 275.000. Het maximale bedrag dat als gevolg van dat advies – op grond van het destijds nog aanhangige wetsvoorstel – niet zonder fiscale consequenties geleend kon worden, maar in plaats daarvan als dividend moest worden uitgekeerd is derhalve € 275.000, nog afgezien van de vraag of Verweerder ervan uit mocht gaan dat een deel van het benodigde geld niet bij de vennootschap, maar extern gefinancierd zou worden. Klager heeft niet inzichtelijk gemaakt dat het gemiste rendement over de mogelijk naar voren gehaalde belastingheffing over een dividenduitkering van € 275.000 het voordeel van het in privé aankopen van appartement 1 teniet doet, laat staan in zulke mate en met zoveel zekerheid dat Verweerder een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klager heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat Verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in zijn zorgplicht de verschillende scenario’s tegen elkaar af te wegen. Het antwoord op de vraag of Verweerder ervan uit mocht gaan dat een deel van het benodigde geld niet bij de vennootschap, maar extern gefinancierd zou worden, kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.
5.5. Dat de rekening-courantschuld in weerwil van het opgestelde vermogensplan toch is opgelopen, valt Verweerder tuchtrechtelijk niet te verwijten.
5.6. Op het voorgaande strandt het beroep in al zijn onderdelen.
Slotsom
5.7. Het beroep van Klager is ongegrond.
De Raad van Beroep ziet geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten van de wederpartij.
De Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. J.E. de Kleine-Brink en mr. drs. M.J.C. Pieterse, leden van de Raad van Beroep, in tegenwoordigheid van mr. R. Marchal als griffier, en door de voorzitter en de griffier ondertekend op 19 maart 2026.