Uitspraak Raad van Tucht 20 januari 2026 (T 430)
Uitspraak Raad van Tucht 20 januari 2026 (T 430). Er is geen beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Voorzitter: mr. drs. Chr.Th.P.M. Zandhuis
Lid: mr. A.F. Mariani
Extern lid: mr. dr. F.G.F. Peters
Griffier: mr. N. Veenstra
- Verweerder heeft advieswerkzaamheden verricht voor de ex-echtgenote van klager. Volgens klager heeft verweerder daarbij gehandeld in strijd met artikel 2 (onafhankelijkheid), artikel 4 (geheimhouding) en artikel 1 (eer en waardigheid) RBU.
- De Raad van Tucht oordeelt dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt voor de wijze waarop hij zijn advieswerkzaamheden voor de ex-echtgenote heeft uitgevoerd. Ten tijde van deze advieswerkzaamheden bestond tussen klager en verweerder geen cliëntrelatie meer. Klagers beroep op artikel 4 RBU is onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft de belangen van klager niet geschonden. Daarnaast verplicht artikel 1 RBU verweerder niet om klager als oud-cliënt te informeren. Van schending van het RBU is geen sprake.
- De klacht is ongegrond.
Gewezen op de klacht van [A], wonende te [Z], hierna te noemen klager,
tegen
[B] MSc, lid van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en werkzaam bij [C] gevestigd te [Y], hierna te noemen verweerder.
De klacht tegen verweerder is bij de Raad van Tucht binnengekomen op 14 juli 2025. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Klager heeft een conclusie van repliek ingediend en verweerder heeft een conclusie van dupliek ingediend.
Van de zitting op 5 december 2025 is een proces-verbaal opgemaakt, dat tegelijk met deze uitspraak wordt verzonden.
2.1. Gelet op wat partijen schriftelijk en mondeling naar voren hebben gebracht, merkt de Raad van Tucht voor dit geding de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.
2.2. Klager is directeur en eigenaar van [X] B.V. en [X] Holding B.V. (hierna: de onderneming). Tot en met het boekjaar 2019 heeft het kantoor van verweerder aangifte- en jaarrekeningwerkzaamheden voor de onderneming verricht. Daarnaast heeft het kantoor van verweerder de aangiften inkomstenbelasting 2019 van klager en zijn ex-echtgenote verzorgd. Vanaf het boekjaar 2020 verrichtte het kantoor van verweerder alleen nog werkzaamheden voor de salarisadministratie van de onderneming.
2.3. In mei 2024 heeft de ex-echtgenote van klager zich in het kader van de echtscheiding tussen haar en klager gewend tot het kantoor van verweerder. Op 3 juni 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen verweerder en de ex-echtgenote. De ex-echtgenote heeft tijdens dit overleg informatie ingewonnen over de wijze waarop de onderneming gewaardeerd zou kunnen worden.
2.4. Naar aanleiding van deze bespreking heeft verweerder een vermogensoverzicht in Excel opgesteld. Dit overzicht heeft hij op 26 juni 2024 met de ex-echtgenote besproken en nadien per e-mail met haar gedeeld.
2.5. Klager heeft bij zijn klachtschrift een kopie van een e-mail van 26 juni 2025 gevoegd. De e-mail is afkomstig van de advocaat van de ex-echtgenote en gericht aan de advocaat van klager en vermeldt het volgende:
“(…) De berekening van de waarde van de aandelen in [de onderneming] is opgesteld door [verweerder] van [het kantoor van verweerder]. De berekening treft u bijgaand aan. (…)”
Bij de e-mail is het volgende Excel-overzicht gevoegd:
| “[De onderneming] | |||
| EBITDA | Factor | ||
| 2021 | € 103.555 | 1 | € 103.555 |
| 2022 | € 133.903 | 2 | € 267.806 |
| 2023 | € 168.324 | 3 | € 504.972 |
| € 876.333 | |||
| Gemiddelde EBITDA 2021-2023 | € 146.056 | ||
| Factor * gemiddelde EBITDA | 5,5 | ||
| Koopsom excl. eigen vermogen | € 803.305 | ||
| Eigen vermogen 31-12-2023 | € 608.036 | ||
| Totale koopsom 100% van de aandelen | € 1.411.341″ |
2.6. Verweerder heeft op 26 augustus 2025 de volgende e-mail naar klager gestuurd:
“(…) Tijdens mijn zomervakantie werd ik onaangenaam verrast door een aangetekende brief / email van de NOB waaruit bleek dat je bij de NOB een klacht tegen mij hebt ingediend.
Uit de bijlagen bij deze aangetekende brief van de NOB is mij gebleken dat het door mij opgestelde overzicht zonder mijn medeweten is aangepast en door de advocaat van je ex-echtgenote aan jouw advocaat is verstrekt met daarbij de opmerking “de berekening van de waarde van de aandelen in [de onderneming] is opgesteld door [verweerder] van [het kantoor van verweerder]”. Mij was tot dat moment niet bekend wat exact was verstrekt.
Ik heb toen gelijk (nog tijdens mijn vakantie) actie ondernomen richting de advocaat van je ex-echtgenote. Inmiddels heeft de advocaat van je ex-echtgenote, zoals ik van haar heb begrepen, blijkbaar één en ander verduidelijkt richting jouw advocaat. De precieze inhoud van het bericht is mij niet bekend, maar dat ik een factor 5,5 nooit heb gebruikt en dat slechts sprake is geweest van een indicatief overzicht over de methodiek van een mogelijke waardering zou inmiddels duidelijk moeten zijn. (…)”
Klager verwijt verweerder dat zijn handelen in strijd is met artikel 2 (onafhankelijkheid), artikel 4 (geheimhouding) en artikel 1 (eer en waardigheid) van het Reglement Beroepsuitoefening – de Code of Conduct van de NOB (RBU). Klager verwijt verweerder dat hij in opdracht van zijn ex-echtgenote een indicatie van de waarde van de onderneming – door klager aangeduid als waarderingsindicatie – heeft opgesteld. Verweerder heeft klager hierover niet geïnformeerd of daarvoor om toestemming gevraagd, terwijl klager eigenaar is van de onderneming en bovendien cliënt van het kantoor van verweerder. Omdat verweerder op de hoogte was van de echtscheiding, is sprake van (schijn van) belangenverstrengeling. Verder is het niet uit te sluiten dat door verweerder gebruik is gemaakt van (voorgaande) kennis uit de cliëntrelatie met klager.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij het RBU niet heeft geschonden en dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. Het kantoor van verweerder heeft tot en met het boekjaar respectievelijk kalenderjaar 2019 jaarrekening- en aangiftewerkzaamheden voor klager en diens onderneming verzorgd. Op het moment van het verzoek van de ex-echtgenote (mei 2024) was geen sprake van een actieve advies- of aangifteopdracht voor klager, maar enkel van het verzorgen van de lopende salarisadministratie van de onderneming. Verweerder heeft, enkel op basis van de door de ex-echtgenote verstrekte stukken, een overzicht opgesteld met een indicatie van de wijze waarop de onderneming gewaardeerd zou kunnen worden. Dit overzicht is nadien door (de advocaat van) de ex-echtgenote gewijzigd en zonder toestemming van verweerder gedeeld met (de advocaat van) klager.
Vooraf
5.1. De Raad van Tucht stelt voorop dat een klachtprocedure alleen kan gaan over schending van een norm wegens handelen of nalaten door een NOB-lid, en dus niet over het handelen of nalaten van het gehele kantoor van verweerder als zodanig. Een NOB-lid kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de manier waarop collega’s die niet aan hem ondergeschikt zijn of onder zijn verantwoordelijkheid vallen, werken (vgl. uitspraak Raad van Tucht van 24 maart 2022, T 400 en uitspraak Raad van Beroep van 6 januari 2023, B 114).
Klachtonderdeel 1 – onafhankelijkheid
5.2. Artikel 2, lid 1 en lid 2, RBU bepaalt dat een lid behoort te vermijden dat zijn vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van het beroep in gevaar kunnen komen en dat het een lid niet geoorloofd is werkzaamheden te verrichten die onverenigbaar zijn met de onafhankelijkheid van een belastingadviseur.
5.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder vanaf 2020 geen advieswerkzaamheden meer voor klager of diens onderneming heeft verricht. Dit geldt ook voor collega’s voor wie hij tuchtrechtelijk verantwoordelijk is. Daarnaast heeft verweerder ter zitting onweersproken gesteld dat hij niet betrokken is geweest bij de aangifte- en jaarrekeningwerkzaamheden voor de onderneming tot en met het belastingjaar 2019 (zie 2.2) en dat daarbij evenmin collega’s betrokken waren voor wie hij tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt. Het voorgaande betekent dat de cliëntrelatie tussen verweerder en klager vanaf 2020 is beëindigd. De ex-echtgenote heeft in mei 2024 advies gevraagd aan verweerder. Er is dus geen sprake van een situatie waarin verweerder gelijktijdig de belangen van zowel klager als de ex-echtgenote behartigde. De Raad van Tucht komt daarom niet toe aan toetsing aan artikel 2 RBU (vgl. uitspraak Raad van Beroep van 16 oktober 2013, B 86 en uitspraak Raad van Tucht van 22 november 2023, T 411).
5.3.2. Dat het kantoor van verweerder nog de salarisadministratie van de onderneming van klager voert, maakt het voorgaande niet anders. Deze dienstverlening leidt er niet toe dat de cliëntrelatie tussen klager en verweerder doorloopt. Verweerder heeft namelijk verklaard – en klager heeft dit niet betwist – dat de salarisadministratie door een andere afdeling binnen het kantoor wordt verzorgd en dat verweerder daarbij geen betrokkenheid heeft.
Klachtonderdeel 2 – geheimhouding
5.4. Op grond van artikel 4, lid 1 en lid 2, RBU is een lid verplicht tot geheimhouding van alles wat in de uitoefening van zijn beroep te zijner kennis komt, en duurt de geheimhoudingsplicht voort tot na beëindiging van de relatie met de cliënt.
5.5. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij het hiervoor in 2.4 bedoelde overzicht heeft opgesteld aan de hand van informatie die afkomstig is uit jaarrekeningen van de onderneming over de jaren 2021 tot en met 2023, die door de huidige boekhouder van klager zijn opgemaakt en door de ex-echtgenote aan verweerder zijn verstrekt. Klager heeft deze verklaring van verweerder als zodanig niet betwist. Daarvan uitgaande lag het op de weg van klager zijn stelling dat verweerder (tevens) gebruik heeft gemaakt van kennis uit de eerdere cliëntrelatie met klager – die immers vanaf 2020 is geëindigd (zie 5.3.1) – van een nadere onderbouwing te voorzien en in het bijzonder te benoemen welke vertrouwelijke informatie uit die relatie zou zijn gebruikt. Klager heeft dit evenwel nagelaten. De enkele stelling van klager dat collega’s van verweerder de onderneming van klager kenden en dat er vast bij de koffiemachine over gesproken is, is volstrekt onvoldoende. De Raad van Tucht verwerpt dan ook de klacht dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4 RBU.
Klachtonderdeel 3 – eer en waardigheid van het beroep
5.6. Artikel 1 RBU bepaalt dat een lid gehouden is zijn werkzaamheden op een eerlijke, zorgvuldige en behoorlijke wijze te verrichten, zich te houden aan wet- en regelgeving en zich verder te onthouden van al wat overigens in strijd is met de eer en waardigheid van het beroep. De eer en waardigheid van het beroep vergen dat een NOB-lid bij de uitoefening van zijn beroep op zorgvuldige wijze omgaat met de belangen van daarbij betrokken personen in het algemeen, en met die van zijn cliënten en oud-cliënten in het bijzonder (zie uitspraak Raad van Tucht van 22 juni 1999, T 138).
5.7.1. Zoals hiervoor in 5.5 vermeld, heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij in opdracht van de ex-echtgenote een vermogensoverzicht heeft opgesteld, waarvan de aandelen in de onderneming onderdeel waren, en dat hij voor de opstelling van dat overzicht gebruik heeft gemaakt van informatie uit de door de ex-echtgenote aan hem verstrekte, door de huidige boekhouder van klager opgemaakte jaarrekeningen over 2021 tot en met 2023. Daarnaast heeft verweerder aan de ex-echtgenote informatie verstrekt over hoe in het algemeen (in de markt) de waarde van ondernemingen wordt bepaald. Klager heeft deze verklaringen van verweerder als zodanig niet betwist en heeft evenmin gesteld dat de door verweerder voor het opstellen van het overzicht gebruikte informatie onjuist is. Klager heeft ook niet betwist dat verweerder – anders dan in het door de advocaat van de ex-echtgenote verstuurde overzicht is vermeld (zie 2.5) – heeft geadviseerd om het EBITDA, gelet op de branche waarin de onderneming actief is, te vermenigvuldigen met een factor van 4. Gelet op het vrij algemene karakter van zowel het door verweerder opgestelde overzicht als de door hem aan de ex-echtgenote verstrekte overige informatie, alsmede op de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat het door verweerder opgestelde overzicht en/of de verstrekte overige informatie onjuist is, valt niet in te zien op welke wijze verweerder bij zijn werkzaamheden voor de ex-echtgenote de belangen van klager heeft geschaad.
5.7.2. De overige door klager gewraakte handelingen zijn verricht door (de advocaat van) de ex-echtgenote en kunnen verweerder niet worden aangerekend. Dat verweerder het overzicht heeft vervaardigd in een aanpasbare vorm in Excel, is van onvoldoende gewicht om hem ter zake daarvan tuchtrechtelijk een verwijt te maken.
5.7.3. Het standpunt van klager dat hij ten onrechte niet is geïnformeerd of hem ten onrechte niet om toestemming is gevraagd door verweerder, faalt omdat er geen cliëntrelatie tussen verweerder en klager (meer) was. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hij klager niet kon informeren over zijn werkzaamheden voor de ex-echtgenote zonder zijn geheimhoudingsplicht jegens haar te schenden.
5.7.4. Naar het oordeel van de Raad van Tucht is van handelen in strijd met de eer en waardigheid van het beroep geen sprake.
Slotsom
5.8. Gelet op het voorgaande moet de klacht ongegrond worden verklaard.
De Raad van Tucht verklaart de klacht tegen [B] ongegrond.
De beslissing is genomen door mr. drs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, mr. A.F. Mariani en mr. dr. F.G.F. Peters, respectievelijk voorzitter, lid en extern lid van de door de voorzitter van de Raad van Tucht voor de behandeling van deze klacht samengestelde Kamer, op 5 december 2025 in aanwezigheid van mr. N. Veenstra als griffier.
De schriftelijke weergave van de beslissing – dat wil zeggen de uitspraak als bedoeld in het Reglement Tuchtzaken – is door voorzitter en griffier ondertekend op 20 januari 2026.