Uitspraak Raad van Tucht 19 juni 2025 (T 424)

Uitspraak Raad van Tucht 19 juni 2025 (T 424). Tegen deze uitspraak is beroep ingesteld waarop de Raad van Beroep uitspraak heeft gedaan op 19 maart 2026 (B 121)

Voorzitter: mr. drs. Chr.Th.P.M. Zandhuis
Lid: mr. J. van den Beldt
Extern lid: mr. drs. V.F.R. Woeltjes
Griffier: mr. N. Veenstra

Gewezen op de klacht van A, hierna te noemen klager,

tegen

B, lid van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en werkzaam bij kantoor C, hierna te noemen verweerder.

De klacht tegen verweerder is bij de Raad van Tucht binnengekomen op 15 november 2024. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Klager heeft een conclusie van repliek ingediend en verweerder heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De gemachtigde van klager heeft tijdens de zitting op 9 mei 2025 een pleitnota overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat tegelijk met deze uitspraak wordt verzonden.

2.1. Gelet op wat partijen schriftelijk en mondeling naar voren hebben gebracht, merkt de Raad van Tucht voor dit geding de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

2.2.1. Klager heeft in januari 2020 zijn onderneming verkocht. Na de verkoop en levering van de onderneming hield klager nog alle aandelen in X B.V. (hierna: de beheersmaatschappij). Na de verkoop beschikte de beheersmaatschappij enkel nog over een substantieel bedrag aan liquiditeiten en had zij geen ondernemingsactiviteiten meer.

2.2.2. Kort voor de verkoop van de onderneming had de beheersmaatschappij ultimo 2019 een vordering op klager van € 268.121 (hierna: de rekening-courantschuld).

2.3. Klager is in maart 2020 cliënt geworden van (het kantoor van) verweerder.

2.4. Klager heeft aan verweerder, onder meer, advies gevraagd over de aankoop van een appartement als beleggingspand.

2.5.1. Het “Wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap” is op 17 juni 2020 bij de Tweede Kamer ingediend (hierna: het wetsvoorstel). Op 30 juni 2020 heeft klager een artikel over dit wetsvoorstel per e-mail doorgestuurd aan verweerder met de volgende begeleidende tekst:           

“Dan is lenen van de holding niet meer interessant. (…)”

In het artikel is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Op 17 juni 2020 is het wetsvoorstel “Wet excessief lenen bij eigen vennootschap” ingediend bij de Tweede Kamer. De rekening-courantmaatregel werd in september 2018 bij het belastingplan aangekondigd en in maart 2019 is het conceptwetsvoorstel uitgegeven. Nu is het definitieve wetsvoorstel ingediend, waarin het lenen van de eigen bv door een aanmerkelijkbelanghouder (hierna: AB- houder) wordt beperkt. Het deel van de schuld dat meer bedraagt dan € 500.000 wordt m.i.v. 2023 in de inkomstenbelasting belast als inkomen uit aanmerkelijk belang.”

2.5.2. Verweerder heeft per e-mail als volgt gereageerd op dit artikel:

“Paar dingen:
-Eigen woning valt buiten die regeling
-is een wetsvoorstel, daarmee nog geen wet
-hij is recent al een jaar uitgesteld van 2022 naar 2023. Vraag is wat er tussentijds nog gaat gebeuren… heb wel meer voorstellen zien sneuvelen.
-dat ze vanuit Den Haag mogelijkheden voor dga’s structureel ontmoedigen is helder. Maar dit is voor mij persoonlijk nog te vroeg om meteen actief op te anticiperen. (…)”

2.6.1. Klager heeft op 25 augustus 2020 bij zijn bank (ING) geïnformeerd of hij de koopsom van (een) beleggingspand(en) zou kunnen financieren en heeft per e-mail drie verkoopadvertenties van appartementen (met een vraagprijs van in totaal € 668.500) naar ING gestuurd. Verweerder is opgenomen in de CC van deze e-mail.

2.6.2. ING heeft op 25 augustus 2020 om 14:04 uur als volgt gereageerd op de onder 2.6.1 vermelde e-mail:

“(…)
E.e.a. met [collega 1] overlegd.

EUR 325.000,- kunnen we mogelijk op die 3 appartementen doen. Aflossing jaarlijks 4%. Rente nader te bepalen, richtprijs 2,5%. Panden dienen voor uitboeking verhuurd te zijn.

Bedrijfsonroerendgoed zal nu niet lukken. Dat lukt momenteel alleen in een CVOG portefeuille als het maximaal 15% deel uitmaakt van de portefeuille met goed residentieel vastgoed (zoals de 3 appartementen), tevens moet het dan ook gelijk verhuurd zijn en niet eerst deels voor eigen opslag. Afhankelijk van je latere effectenportefeuille zou het wel met een Voorschot Effectenkrediet kunnen worden geregeld, of zou je het zelf kunnen financieren om het later over te laten nemen door de bank.

Uiteraard is alles onder voorbehoud, we moeten jou en de BV eerst nog onboarden (i.a.v. de stukken van de StAK), en [collega 1] moet ook nog een berekening maken op basis van nog te ontvangen actuele cijfers.(…)”

Verweerder is opgenomen in de CC van deze e-mail.

2.6.3. Begin september 2020 heeft klager een appartement in D gekocht voor een bedrag van ongeveer € 275.000 inclusief kosten koper (hierna: appartement 1). De koopsom is betaald met gelden die klager van de beheersmaatschappij heeft geleend.

2.7.1. ING heeft op 9 september 2020 om 9:12 uur klager per e-mail als volgt bericht:

“Beste [klager],

De zogenaamde onboarding is rond!
We kunnen vanaf nu door met de hypotheek en de beleggingen!
(…)”

Verweerder is opgenomen in de CC van deze e-mail.

2.7.2. Klager heeft op 9 september 2020 om 9:17 uur als volgt gereageerd:

“(…)
Oké.
Kunnen we dan nu snel schakelen?

Kan ook het recent (deel)aangekochte appartement meegenomen worden ?”

2.8. Op 9 september 2020 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen klager en verweerder over de aankoop van appartement 1. Besproken zijn de volgende opties voor de verkrijging van het eigendom: (i) in privé, (ii) door de beheersmaatschappij en (iii) door een nieuw op te richten vennootschap. Verweerder heeft geadviseerd om appartement 1 in privé te verwerven.

2.9. Klager heeft op 9 september 2020 om 14:44 de volgende e-mail aan de notaris – die de levering van appartement 1 heeft verzorgd – verstuurd:

“Hallo,

Ik heb in overleg met mijn accountant [Raad van Tucht, lees: verweerder] besloten het appartement anders dan voorheen aangegeven toch in privé aan te kopen.
(…)”

2.10. Klager heeft op 12 juli 2021 een tweede appartement in D gekocht voor een bedrag van € 298.826,20 inclusief kosten koper (hierna: appartement 2). De koopsom is betaald met gelden die klager van de beheersmaatschappij heeft geleend.

2.11. In de periode van eind 2019 tot en met 31 december 2023 hebben diverse mutaties van de rekening-courantverhouding plaatsgevonden in verband met (consumptieve) uitgaven van klager. In verband met de aankoop van appartementen 1 en 2 is de rekening-courantschuld van klager met een bedrag van in totaal € 573.826 toegenomen. Door deze mutaties is de rekening-courantschuld van klager van jaar tot jaar toegenomen.

2.12.1. Tot de processtukken behoren gespreksverslagen van de door (het kantoor van) verweerder gehouden besprekingen met klager over, onder meer, de opgestelde jaarstukken. In het gespreksverslag van 19 oktober 2021 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“6) Ultimo 2020 (november of december) mutaties t/m heden in kaart brengen en overzicht kosten privé woning, appartement en RC directie maken.
– Lening appartement ultimo 2020 € 275K
– Lening eigen woning ultimo 2020 € 240.439
– Lening B&B ultimo 2020 € 327.918
– RC directie ultimo 2020 € 528.388
Behoefte van [klager] overzicht stand van zaken per heden (oktober; mutaties oktober nog te ontvangen), maar ook positie over 5 of 10 jaar. Wat is verstandig? In 2021 nog een appartement in D aangekocht, dit moet nog verhuurd worden. [Klager] denkt na over aankoop appartement in het buitenland, deels voor eigen gebruik en deels voor verhuur. Wat te doen met saldi leningen, rekening-courant, maar ook beleggingen en bank. [Verweerder] heeft een afspraak ingepland met [klager] op 22-11- 2021 om 11.00 uur bij [klager] thuis om de financiële positie / financiële planning door te nemen. Voor toekomst zal privé opname ca € 5K per maand zijn, jaar 2020 en 2021 zijn uitzonderlijke jaren.

7) Dividenduitkering einde jaar bekijken.
Zie bovenstaand, wordt opgepakt op 22-11-2021.”

2.12.2. In het gespreksverslag van 22 maart 2022 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“5) Per 12-7-2021 is er een appartement gekocht (…) in D voor € 298.826,20. Hiervoor dient nog een leningovereenkomst te worden opgesteld. Rente, aflossing en zekerheden?
Kantoor C zal deze overeenkomst opstellen, maar eerst afstemmen met [de gemachtigde van klager].

6) Opnamen tbv verbouwing in 2021 € 925.343, dit is vooralsnog toegerekend aan de eigen woning cfm bijgewerkt bestand door [verweerder]. Mutaties doornemen met [klager]. Overboekingen eveneens toegerekend aan woning, aangezien alle kosten 100% EW zijn.
Besproken en akkoord. In december 2020 was de verbouwing van de B&B klaar en zijn ze er zelf gaan wonen, het is dus juist dat alles is toegerekend aan de eigen woning. Een deel van de tuin kan wellicht nog toegerekend worden aan de B&B, dit moet achteraf bezien worden als de gehele verbouwing klaar is.

(…)

10) RC directie per 31-12-2021 € 597.451. Mutaties doornemen met klant. Dividenduitkering?
Mutaties doorgenomen. Opnamen geldautomaat iom [klager] corrigeren naar lening eigen woning. Dividenduitkering vooralsnog niet.

11) Kredietfaciliteit RC directie is volgens overeenkomst maximaal € 450K. Volgens wet- en regelgeving is dit in 2023 max € 700K. In overeenkomst wordt geen rente vermeld, 4% berekend cfm JR 2019+2020. Overeenkomst aanvullen.
Kantoor C zal de aanvulling op de overeenkomst afstemmen met [de gemachtigde van klager]. Als maximum € 700K opnemen en rente-% verlagen naar Euribor + 1,5% miv 1-1-2021.
Na overleg met [verweerder] geldt voor het maximum van € 700K per 2023 (als dit definitief wordt) de RC met directie, maar ook lening ivm appartementen en B&B.”

2.12.3. In het gespreksverslag van 16 mei 2023 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“5) Volwaardigheid leningen eigen woning en B&B? Totale waarde volgens voorlopige cijfers € 2.873.032. Volgens info collega verweerder staat huis te koop voor € 3,5 miljoen. Bod van € 3,8 miljoen gehad. Klopt dat? Waarde woning bespreken met [klager]. Er is geen taxatie. Bij JR 2021 door [klager] aangegeven tussen € 2,5 en € 3 miljoen.
De woning staat in de stille verkoop en [klager] heeft aangegeven minimaal € 3,8 miljoen te willen ontvangen, volgens makelaar zal dat bedrag bij taxatie niet gehaald gaan worden. Bij JR 2023 nogmaals bezien, er wordt nu geen JR uitgebracht.

(…)

9) Vorderingen op privé in de beheersmaatschappij per 31-12-2022 obv voorlopige cijfers:
– RC directie € 418.792
– Lening appartement 1 € 275.000
– Lening appartement 2 € 298.826
– B&B € 603.875
Op basis van deze cijfers dividenduitkering RC directie ivm excessief lenen. Wat zijn de mutaties naar privé geweest in 2023? Deel terugbetaling agio via notaris?
Overzicht dient bijgewerkt te worden met mutaties t/m heden. Dividenduitkering is 26,9%. Collega verweerder zal navragen aan collega verweerder/[verweerder] of er ook div belasting betaald moet worden bij terugbetaling agio via notaris. Collega verweerder zal een reminder zetten voor oktober 2023 dividenduitkering.”

2.12.4. Naar aanleiding van een bespreking op 2 oktober 2023 stuurt een collega van verweerder op 3 oktober 2023 de volgende e-mail naar klager:

“(…) Zoals gisteren besproken, zie bijlages en hieronder, we moeten dus op korte termijn actie ondernemen inzake de RC positie zoals ook al eerder aangegeven.

1) De lening eigen woning (vanuit de beheersmaatschappij) per 31-12-2022 bedraagt € 1.941.965, cfm eerdere mailtjes (zie bijlage “FW: Mutaties lening eigen woning en B&B”). De aflossing over 2022 moet nog worden verwerkt als aflossingsschema is opgesteld. In 2023 (januari t/m heden) wordt er € 115K overgeboekt naar privé. Op basis van de privébankafschriften heb ik geprobeerd de uitgaven te herleiden. Het is voor het bepalen van de aflossing lening eigen woning (over 2022 en 2023) en excessief lenen per 31- 12-2023 van belang dat we de saldi van lening eigen woning en RC directie helder hebben. Er is een Excel-bestand bijgehouden van de totale onkosten van de eigen woning, maar dat loopt maar t/m 31-12-2022. In 2023 zie ik uitkering schadeverzekering € 75K. Ik kom op een kostenpost minus uitkeringen van de eigen woning van € 9.333, zie bijlage “saldo lening eigen woning 2023”. Het saldo lening eigen woning (exclusief aflossing 2022+2023) per 20-9-2023 is dan € 1.951.298. In 2023 heeft dan € 105.368 betrekking op consumptieve opnamen, die heb ik proberen te specificeren in het bestand “saldo lening eigen woning 2023”.
– De mutaties eigen woning januari t/m september 2023 moeten we nog afstemmen met [klager]
2) Rekening houdend met de saldi hierboven genoemd zijn de vorderingen op privé per 20-9-2023 (exclusief aflossing lening eigen woning 2022+2023): € 2.125.449, dit mag maximaal € 700K zijn ultimo 2023:
a. RC directie [beheersmaatschappij]: € 5.457 -/-
b. RC directie de beheersmaatschappij: € 953.205
c. Lening B&B de beheersmaatschappij: € 603.875
d. Leningen appartementen de beheersmaatschappij: € 573.826
– Hier moeten we op korte termijn actie voor ondernemen! (…)”

2.13. Verweerder heeft bij het verweerschrift berekeningen (hierna: het rekensheet) overgelegd met betrekking tot de fiscale verschillen tussen box 2 (aankoop zakelijk) en box 3 (aankoop privé). De nettorendementen van de aankoop van een pand volgens het rekensheet zijn als volgt:

Investeren in privé € 172.157
Investeren via de beheersmaatschappij € 108.669
– Kosten van een nieuwe vennootschap (€ 8.500)

Een kopie van het rekensheet is in september 2020 niet aan klager verstrekt.

2.14. Op 1 januari 2023 is de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (hierna: Wet excessief lenen) in werking getreden. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel op 20 december 2022 aangenomen. Als gevolg van inwerkingtreding van deze wet is voor het jaar 2023 belasting verschuldigd indien sprake is van een schuld van meer dan € 700.000 op de peildatum 31 december 2023.

3.1. Klager stelt zich samengevat op het standpunt dat verweerder artikel 1 (eer en waardigheid) van het Reglement Beroepsuitoefening – de Code of Conduct van de NOB (RBU) heeft geschonden. Verweerder heeft klager geadviseerd om appartementen 1 en 2 in privé te verwerven en de koopsom te financieren met een lening van de beheersmaatschappij. Als gevolg hiervan is klagers rekening-courantschuld bij de beheersmaatschappij toegenomen met een bedrag van € 573.826. Eind 2023 bleek dat klager in verband met de inwerkingtreding van de Wet excessief lenen een grote heffing te wachten stond, omdat zijn rekening-courantschuld hoger was dan het grensbedrag. Om belastingheffing te voorkomen heeft klager (i) de appartementen verkocht en is hij (ii) een lening aangegaan bij een derde om zijn rekening-courantschuld vóór de peildatum gedeeltelijk af te lossen. Klager is van mening dat verweerder een beroepsfout heeft gemaakt. De Wet excessief lenen is reeds op 20 september 2018 aangekondigd. Klager verwijt verweerder dat zijn advies in 2020 onvoldoende rekening hield met het wetsvoorstel. Volgens klager had de verkoop van de appartementen 1 en 2 en het aangaan van de lening bij een derde kunnen worden voorkomen. Verweerder heeft zijn werkzaamheden niet op een zorgvuldige en behoorlijke wijze verricht, aldus klager.

4.1.1. Verweerder stelt dat de klacht ongegrond moet worden verklaard en betwist dat sprake is van een beroepsfout. Verweerder heeft met inachtneming van klagers wensen in 2020 geadviseerd appartement 1 in privé aan te kopen. Verweerder heeft de fiscale gevolgen van de verschillende opties in kaart gebracht door middel van het rekensheet en de inhoud van het rekensheet is met klager besproken op 9 september 2020. Hierbij is ook stilgestaan bij de (toen aangekondigde) Wet excessief lenen en de ontwikkelingen ten aanzien van box 3. Klager was reeds op de hoogte van de ontwikkelingen over de Wet excessief lenen (zie 2.5.1). Verweerder stelt primair dat door de aankoop van appartement 1 en de financiering daarvan door de beheersmaatschappij klagers rekening-courantschuld niet hoger zou zijn dan het grensbedrag, zodat de invoering van de Wet excessief lenen geen gevolgen zou hebben voor klager. Subsidiair verkeerde verweerder in de veronderstelling dat klager het appartement later extern via ING zou financieren en dat de beheersmaatschappij enkel de aankoop zou voorfinancieren. Hierdoor zou klager, in verband met de aankoop van appartement 1, geen gevolgen ondervinden van de Wet excessief lenen.

4.1.2. Ten aanzien van appartement 2 heeft verweerder aangevoerd dat klager in juli 2021 op eigen initiatief dit appartement op eenzelfde manier, in privé, heeft aangekocht. Verweerder betwist dat hij heeft geadviseerd met betrekking tot de aankoop van appartement 2.

4.1.3. Tot slot voert verweerder aan dat hij, toen duidelijk werd dat klager geconfronteerd zou worden met belastingheffing over de hoogte van de rekening-courantschuld, verschillende manieren in kaart heeft gebracht om dit te vermijden. Door het overbruggingskrediet heeft klager extra tijd gecreëerd om zijn vermogenspositie te herstructureren waardoor het verkopen van de appartementen in januari 2024 niet noodzakelijk was, aldus verweerder.

Toetsingskader

5.1. Artikel 1 van het RBU bepaalt dat een lid zijn werkzaamheden op een eerlijke, zorgvuldige en behoorlijke wijze verricht, zich houdt aan wet- en regelgeving en zich verder onthoudt van al wat overigens in strijd is met de eer en waardigheid van het beroep. Volgens de toelichting adviseert een NOB-lid zijn cliënt over de fiscale gevolgen van voorgenomen (rechts)handelingen. ‘Zorgvuldigheid’ verwijst naar de zorgplicht zoals die in de civielrechtelijke rechtspraak wordt gehanteerd, dat wil zeggen naar hetgeen verwacht mag worden van een redelijk handelende en redelijk bekwame belastingadviseur. Verder verwijst ‘behoorlijk’ naar de professionaliteit van het lid; naar de manier waarop van het lid verwacht mag worden dat hij met zijn relaties (zoals cliënten) omgaat, dat wil zeggen voorkomend en met respect, gericht op het bouwen van vertrouwen en het voorkomen, beperken of oplossen van geschillen, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is.

5.2.1. De Raad van Tucht stelt voorop dat een NOB-lid een zorgplicht heeft voor de juistheid en volledigheid van de inhoud van een advies voor een cliënt. Dit betekent onder meer dat het NOB-lid, voordat hij het advies uitbrengt, moet nagaan of hij wel beschikt over alle voor dat advies relevante feiten. Daarnaast dient het lid, afhankelijk van de complexiteit van het onderwerp en het kennisniveau van de cliënt over dat onderwerp, af te wegen welke informatie de cliënt nodig heeft om de materie te kunnen doorgronden en een verantwoorde afweging op basis van het advies te kunnen maken. In geval van een relevant risico zijn de ernst en omvang en de mate van waarschijnlijkheid dat dit risico zich zal voordoen en de mogelijkheden om dit risico te mitigeren, zoals vooraf afstemmen met de Belastingdienst, relevante aspecten voor de advisering. De informatieplicht strekt zich niet uit tot alle (theoretisch) mogelijke risico’s, nadelen en alternatieven, maar tot die informatie die van belang is voor een adequate beoordeling van het advies door de cliënt. Ter vergelijking wijst de Raad van Tucht naar zijn uitspraak van 7 mei 2021, T 395b. De zorgplicht wordt begrensd door de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt: denkbaar is dat het NOB-lid erop mag vertrouwen dat de cliënt bepaalde risico’s en/of mogelijkheden zelf reeds heeft onderkend, bijvoorbeeld omdat deze voor de hand liggen.

5.2.2. De beoordeling welke alternatieven redelijk zijn, komt in de eerste plaats toe aan de belastingadviseur en zij kan door de tuchtrechter alleen met terughoudendheid worden getoetst. Ter vergelijking wijst de Raad van Tucht naar zijn uitspraak van 21 juli 2016, T 354 r.o. 5.2.6.1 en de uitspraak van de Raad van Beroep van 6 juni 2017, B 96.

De hoogte van klagers rekening-courantschuld

5.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van klagers schulden bij de beheersmaatschappij die zijn geadministreerd onder “RC directie”, “Lening appartement 1” en “Lening appartement 2” op 31 december 2023 zouden leiden tot belastingheffing in verband met de Wet excessief lenen. De overige schulden, aangeduid als “lening eigen woning” en “lening B&B”, vallen niet onder het bereik van de Wet excessief lenen. Verder staat vast dat de schulden “Lening appartement 1” en “Lening appartement 2” respectievelijk € 275.000 (vanaf september 2020) en € 298.826 (vanaf juli 2021) bedroegen. Tot aan de verkoop van de appartementen in 2024 hebben zich met betrekking tot de appartementen geen mutaties voorgedaan op de rekening-courantverhouding. Verder is niet in geschil dat klagers totale rekening-courantschuld ultimo 2019 € 268.121 bedroeg (zie 2.2.2).

5.3.2. Ten aanzien van de hoogte van de schuld aangeduid als “RC directie” overweegt de Raad van Tucht als volgt. Klager heeft ter zitting een bewijsaanbod gedaan om opgave te doen van de stand van de rekening-courantschuld “RC directie” in 2020, 2021, 2022 en 2023. De Raad van Tucht maakt van dit bewijsaanbod, voor zover het ziet op de jaren 2020, 2021 en 2022, geen gebruik, omdat het aangeboden bewijs over de exacte hoogte van de rekening-courantschuld niet relevant is voor de beslissing van de klacht. Verder is de Raad van Tucht van oordeel dat het bewijsaanbod voor zover het ziet op het jaar 2023 – gelet op de goede procesorde – tardief is. Verweerder heeft reeds bij het verweerschrift een productie gevoegd over de hoogte van de rekening-courantschuld in september 2023 (zie 2.12.4). Klager had zijn specificatie voor 2023 veel eerder kunnen inbrengen en heeft ook geen reden gegeven waarom hij dat niet vóór de zitting kon doen.

Appartement 1 – september 2020

5.4. Ten aanzien van het gevraagde advies over de aankoop van appartement 1 staat vast dat klager het streven had een zo hoog mogelijk rendement te behalen en daarom de fiscaal meest voordelige optie zocht. Partijen verschillen van mening over de overige uitgangspunten die ten grondslag lagen aan het uit te brengen advies.

5.5.1. Tijdens de zitting heeft verweerder onder meer het volgende toegelicht over de feiten en omstandigheden die hij bij zijn advisering als uitgangspunten heeft genomen:
– Klager heeft verweerder op 8 september 2020 geïnformeerd dat hij één appartement heeft gekocht en daarvoor een conceptkoopovereenkomst heeft ontvangen.
– Gelet op de investeringswens van klager heeft verweerder een collega gevraagd de verschillende opties uit te werken in berekeningen. In het rekensheet zijn drie opties uitgewerkt: aankoop in privé, aankoop door de beheersmaatschappij en aankoop door een nieuw op te richten vennootschap.
– ING heeft klager (met verweerder in de CC) op 9 september 2020 om 9:12 uur bericht dat de onboarding rond is en klager vraagt vervolgens aan ING of het recent aangekochte appartement ook kan worden meegenomen in de financiering. Verweerder heeft een (gedeeltelijke) financiering tot uitgangspunt genomen bij zijn advisering.
– Volgens het rekensheet zou de aankoop in privé leiden tot het hoogste rendement en dit heeft verweerder op 9 september 2020 met klager besproken.
– Ultimo 2019 bedroeg de rekening-courantschuld ongeveer € 268.000, terwijl een opname in rekening-courant in verband met de aankoop van appartement 1 € 275.000 zou bedragen.
Klager heeft de voorgaande uitgangspunten van het advies niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden, zodat de Raad van Tucht daarvan zal uitgaan.

5.5.2. Ten aanzien van klagers stelling dat verweerder ten tijde van het uitbrengen van het advies in september 2020 zijn werkzaamheden niet op een zorgvuldige wijze heeft verricht en een beroepsfout heeft gemaakt, overweegt de Raad van Tucht als volgt. Verweerder heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat hij pas op 4 augustus 2020 – door middel van de conceptaangifte 2019 opgesteld door de voormalige accountant van klager – op de hoogte is geraakt van de rekening-courantschuld per ultimo 2019 (à € 268.121). De aankoop van appartement 1 en de financiering door de beheersmaatschappij zou leiden tot een verhoging van de rekening-courantschuld van € 275.000. Klager heeft de hoogte van de rendementen, zoals die zijn uitgewerkt in het rekensheet, als zodanig niet bestreden. Gelet op het voorgaande en de onder 5.4 en 5.5.1 vermelde uitgangspunten kan niet geoordeeld worden dat verweerder, bij de stand van het wetsvoorstel in september 2020, niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk handelende en redelijk bekwame belastingadviseur. Uit het rekensheet volgt dat verweerder het wetsvoorstel wel bij de voorbereiding van het advies heeft betrokken. Dat hij het rekensheet niet in kopie met klager heeft gedeeld doet daar niet aan af. Hoewel de rekening-courantschuld van klager het destijds bekende grensbedrag uit het wetsvoorstel (€ 500.000) enigszins zou overschrijden, is niet gesteld dat dit het (forse) rendementsvoordeel van een privé-aankoop teniet zou doen. Klager heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een foutief advies door verweerder.

5.5.3. Voor zover klager heeft bedoeld te stellen dat verweerder een onvolledig advies heeft gegeven doordat hij klager niet heeft geïnformeerd dat, gelet op het wetsvoorstel, na de aankoop van appartement 1 geen opnames in rekening-courant meer mogelijk zouden zijn, geldt dat deze klacht faalt. De Raad van Tucht is van oordeel dat in september 2020 nog niet kon worden geadviseerd om geen opnames in rekening-courant meer te doen, aangezien het destijds nog om een – kort daarvoor op 17 juni 2020 – ingediend wetsvoorstel ging. Bovendien mocht, anders dan klager meent, verweerder uit de e-mailwisseling tussen klager en ING (zie 2.6.1, 2.6.2, 2.7.1 en 2.7.2) redelijkerwijs afleiden dat klager (een deel van) de koopsom extern zou financieren. Verder geldt dat klager zelf reeds in juni 2020 op de hoogte was van het ingediende wetsvoorstel en, zoals blijkt uit de e-mailwisseling, dat hij zich ook bewust was van de mogelijke gevolgen: “Dan is lenen van de holding niet meer interessant.” (zie 2.5.1). Voor verweerder bestond derhalve geen waarschuwingsplicht ten aanzien van dit voor de hand liggende gevolg indien het wetsvoorstel zou worden aangenomen én de externe financiering geen doorgang zou vinden.

5.6. Klagers stelling dat verweerder zijn werkzaamheden in september 2020 niet op een behoorlijke wijze heeft verricht, faalt. Gelet op de processtukken en in het licht van de klacht kan niet worden geconcludeerd dat verweerder bij het uitbrengen van zijn advies in september 2020 heeft gehandeld in strijd met de vereiste professionaliteit. Integendeel, verweerder heeft zich juist correct en dienstverlenend opgesteld. Mede gezien de korte termijn van twee weken tussen de aankoop en levering van appartement 1, heeft verweerder op voortvarende wijze verschillende scenario’s doorgerekend en klager tijdig geadviseerd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake.

Appartement 2 – juli 2021

5.7. Evenmin slaagt het betoog van klager dat verweerder in juli 2021 in strijd met artikel 1 van het RBU heeft gehandeld. Niet is komen vaststaan dat klager in verband met de aankoop van appartement 2 advies heeft gevraagd aan verweerder of aan een collega die onder verweerders tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid werkzaam was. Evenmin is aannemelijk geworden dat door (het kantoor van) verweerder in dat verband een advies is uitgebracht.

Slotsom

5.8. Ten overvloede merkt de Raad van Tucht op dat de stelling van klager – dat zonder de schulden die verband houden met de aankoop van de appartementen op 31 december 2023 geen belasting verschuldigd zou zijn – feitelijke grondslag mist. De rekening-courantschuld, aangeduid als “RC directie”, bedroeg immers op 20 september 2023 reeds € 953.205, exclusief de rekening-courantschuld verband houdend met de aankoop van de appartementen (ter hoogte van € 573.826) (zie 2.12.4). Klager zou dus sowieso belasting verschuldigd zijn geweest vanwege de inwerkingtreding van de Wet excessief lenen.

5.9. De conclusie luidt dat van schending van artikel 1 van het RBU door verweerder geen sprake is. De klacht zal ongegrond worden verklaard.

De Raad van Tucht ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

De Raad van Tucht verklaart de klacht tegen B ongegrond.

De beslissing is genomen door mr. drs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, mr. J. van den Beldt en mr. drs. V.F.R. Woeltjes, respectievelijk voorzitter, lid en extern lid van de door de voorzitter van de Raad van Tucht voor de behandeling van deze klacht samengestelde Kamer, op 9 mei 2025 in aanwezigheid van mr. N. Veenstra als griffier.

De schriftelijke weergave van de beslissing – dat wil zeggen de uitspraak als bedoeld in het Reglement Tuchtzaken – is door voorzitter en griffier ondertekend op 19 juni 2025.

Gerelateerd